Beursbengel: Uitspraken GFD over gestolen sieraden en mogelijke valsheid in geschriften

Beursbengel: Uitspraken GFD over gestolen sieraden en mogelijke valsheid in geschriften

Beursbengel: Uitspraken GFD over gestolen sieraden en mogelijke valsheid in geschriften 665 509 Ekelmans Advocaten
Beursbengel vakblad verzekering
Leestijd: 4 minuten
Lesedauer: 4 Minuten
Reading time: 4 minutes
Expertise:

In Dossier Kifid van de Beursbengel 2021 / nr. 906 bespreekt Elieske Kallenberg twee uitspraken van de Geschillencommissie Financiële Dienstverlening : één uitspraak rond een kostbaarhedenverzekering en een rond de aanvraag van een hypothecaire lening.

Uitspraak Geschillencommissie Financiële Dienstverlening Nr. 2021-0289 d.d. 26 maart 2021

Diefstal bij verkoop sieraden

Consument heeft via Marktplaats sieraden te koop aangeboden. Tijdens een bezichtiging van de sieraden bij de Consument thuis hebben de aspirant-kopers de sieraden gestolen. Hoewel Consument een kostbaarhedenverzekering heeft afgesloten, weigert Verzekeraar dekking. Tussen partijen is in geschil of de Consument voldaan heeft aan de vereisten uit artikel 19 van de verzekeringsvoorwaarden, waarin is bepaald dat persoonlijke bezittingen niet zijn verzekerd wanneer een verzekerde niet goed op zijn spullen heeft gelet. Verzekeraar stelt zich op het standpunt dat de Consument onvoorzichtig is geweest en weigert dekking. De Consument is het daarmee oneens en vordert in deze procedure vergoeding van de diefstalschade.

Allereerst toetst de Commissie ambtshalve of artikel 19 van de verzekeringsvoorwaarden een oneerlijk beding is in de zin van richtlijn 93/13/ EEG. Daaraan gaat de vraag vooraf of het artikel een kernbeding inhoudt als bedoeld in artikel 4 lid 2 Richtlijn 93/13 en art. 6:231 BW, zodat het beding om die reden in beginsel zou zijn uitgezonderd van een beoordeling op oneerlijkheid. Uit de parlementaire geschiedenis en vaste rechtspraak omtrent dit punt volgt met betrekking tot verzekeringsovereenkomsten, dat bedingen ter bepaling van de omvang van de dekking als kernbeding moeten worden aangemerkt. Hieruit volgt echter niet dat alle bedingen die op enigerlei wijze van invloed zouden kunnen zijn op de omvang van de premie, als kernbeding moeten worden aangemerkt. Omdat het hier gaat om een beding met betrekking tot de gevolgen die verbonden zijn aan onzorgvuldig gedrag van de verzekerde, is het in zoverre geen beding dat het verzekerde risico en de verbintenis van de verzekeraar vooraf duidelijk omschrijft of afbakent. Daarnaast acht de Commissie artikel 19 niet onredelijk bezwarend in de zin van artikel 6:233 aanhef onder a BW. Met artikel 19 wordt weliswaar afgeweken van artikel 7:952 BW, maar dat artikel is van regelend recht. Het is een verzekeraar dan ook toegestaan om in de verzekeringsvoorwaarden af te wijken van artikel 7:952 BW, in die zin dat meer voorzichtigheid van de verzekerde wordt gevraagd. Bovendien past de open norm dat een verzekerde goed op zijn spullen moet hebben gelet, bij wat van een verzekerde mag worden verwacht in zijn relatie tot de verzekeraar, aldus de Commissie.

Omdat vast is komen te staan dat artikel 19 van de verzekeringsvoorwaarden van toepassing is, dient de Commissie te beoordelen of Verzekeraar op grond van dat artikel dekking mocht weigeren. De Commissie stelt voorop dat dit afhankelijk is van de omstandigheden van het geval. De Commissie oordeelt dat is komen vast te staan dat de sieraden van aanzienlijke waarde waren, dat de aspirantkopers twee onbekenden waren en dat de Consument en de aspirant-kopers zich in de tuin op enkele meters afstand van de poortdeur bevonden, die open stond. De Commissie is van oordeel dat hierdoor een reële kans op diefstal bestond, vanwege de waarde van de sieraden en de onbekendheid met de persoon en de intenties van de aspirant-kopers. Onder deze omstandigheden mocht daarom extra oplettendheid van de Consument worden verwacht. Alles in samenhang bezien, is de Commissie van oordeel dat de Consument niet goed op de sieraden heeft gelet en niet de ‘normale voorzichtigheid’ in acht heeft genomen. Volgens de Commissie heeft Verzekeraar daarom dekking mogen weigeren en wordt de vordering van de Consument afgewezen.

Uitspraak Geschillencommissie Financiële Dienstverlening Nr. 2021-0472 d.d. 21 mei 2021

Verkeerde voorstelling van zaken

In 2016 hebben de Consumenten voor de aankoop van een woning een hypothecaire geldlening aangevraagd bij Obvion. Volgens Obvion hebben de Consumenten bij deze aanvraag valsheid in geschrift gepleegd en gepoogd Obvion te misleiden door bewust een onjuiste voorstelling van de werkelijkheid te geven met als doel een hypothecair krediet te verkrijgen. Naar aanleiding van deze constatering, heeft Obvion bij de politie aangifte gedaan van valsheid in geschrifte en oplichting. Daarnaast heeft Obvion de persoonsgegevens van de Consumenten voor de duur van acht jaar geregistreerd in het door de Stichting Fraudebestrijding Hypotheken gehouden Extern Verwijzingsregister.

De Consumenten vorderen primair dat Obvion hun persoonsgegevens verwijdert uit het Extern Verwijzingsregister. Subsidiair vorderen zij dat Obvion de duur van de registratie verkort tot nihil. De Consumenten hebben betoogd dat de registratie onterecht is en dat de duur ervan disproportioneel is. Daartoe hebben zij onder andere aangevoerd dat zij weliswaar een verkeerde bijlage bij de hypotheekaanvraag hebben gevoegd, maar dat er geen opzet in het spel was. Daarnaast voeren de Consumenten aan dat Obvion het proportionaliteitsbeginsel heeft geschonden, als gevolg waarvan zij disproportioneel geraakt worden in hun belangen.

De Commissie oordeelt dat de klacht ter zake van de verwijdering van de registratie nietbehandelbaar is, omdat Consumenten niettijdig geklaagd hebben bij Kifi d. De subsidiaire klacht met betrekking tot de duur van de registratie is wel behandelbaar.

Voor de registratie geldt dat moet zijn voldaan aan de beginselen van proportionaliteit en subsidiariteit. Dit brengt mee dat de inbreuk op de belangen van de Consumenten niet onevenredig mag zijn in verhouding tot het met de verwerking te dienen doel, en dat dit doel in redelijkheid niet op een andere, voor de Consumenten minder nadelige wijze kan worden verwezenlijkt. In dit verband hebben de Consumenten voldoende aangevoerd dat zij zowel professioneel als privé bezien ernstig worden belemmerd door de registratie.

De Commissie is van oordeel dat bij de afweging van de wederzijdse belangen van partijen in dit geval het belang van de Consumenten dient te prevaleren. Vooropgesteld wordt door de Commissie dat het plegen van valsheid in geschrifte en poging tot oplichting ernstige vergrijpen zijn. Obvion mocht ervan uitgaan dat de informatie die de Consumenten bij Obvion hadden aangeleverd volledig en – in ieder geval – niet gemanipuleerd was. De belemmeringen voor de Consumenten op het professionele vlak en in de privésfeer leggen voor de Commissie echter een zodanig gewicht in de schaal dat een verkorting van de duur van de registratie tot zes jaren proportioneel geacht wordt. Voor dit oordeel was ook van belang dat de Consumenten weer enig perspectief kregen , ondanks de grove fout die zij hebben gemaakt.

Auteur

We gebruiken cookies om ervoor te zorgen dat onze website zo soepel mogelijk draait. Als je doorgaat met het gebruiken van de website, gaan we ervan uit dat je ermee instemt.