Keur

Vernietiging algemene voorwaarden: maakt het uit hoe de wederpartij bekend raakte met de voorwaarden?

Vernietiging algemene voorwaarden: maakt het uit hoe de wederpartij bekend raakte met de voorwaarden? 800 533 Ekelmans Advocaten
Zonnebloempitten
Leestijd: 4 minuten
Lesedauer: 4 Minuten
Reading time: 4 minutes

Wie algemene voorwaarden wil gebruiken, moet die bij het sluiten van een contract verstrekken. Als dat niet gebeurt, kan de wederpartij volgens de wet de hem onbekende voorwaarden pardoes vernietigen. De Hoge Raad heeft beslist dat hij dat niet meer mag, als hij – ondanks het stilzitten van de gebruiker – zélf al bekend was met de voorwaarden. Is deze verruiming terecht? Cassatieadvocaat Marieke van der Keur bespreekt in dit blog de uitspraak van de Hoge Raad en geeft haar commentaar.

HR 11 november 2022, ECLI:NL:HR:2022:1599

De feiten

Verkoper is een leverancier van grondstoffen voor diervoeder. De Eendracht koopt jarenlang diverse grondstoffen. In 2014 sluiten zij aan de telefoon twee nieuwe koopcontracten voor zonnebloemkoek. De Verkoper bevestigt de overeenkomsten dezelfde dag nog in een verkoopcontract. Daarin verwijst hij naar de branchevoorwaarden (CNGD). Daarin staat een arbitragebeding. Iets later ontstaat een geschil over de kwaliteit van de zonnebloemkoek. De Eendracht dagvaardt de Verkoper voor de rechtbank. Die stelt dat de rechter onbevoegd is, vanwege het arbitragebeding. De Eendracht vordert daarop de vernietiging van deze voorwaarden, omdat deze nooit door de Verkoper zijn verstrekt.

Wat oordelen de rechtbank en het hof?

De rechtbank vernietigt de voorwaarden. Het hof ziet dat anders: het klopt dat de branchevoorwaarden niet ter hand gesteld door de Verkoper, maar de directeur van De Eendracht heeft in 2012/2013 een cursus gevolgd.. Daarin kwamen de branchevoorwaarden (CNGD) aan de orde. Daarom was De Eendracht met de voorwaarden bekend en kan zij die niet vernietigen.

De wet: algemene voorwaarden moeten ter hand worden gesteld

Een partij die algemene voorwaarden hanteert (‘de gebruiker’) heeft een informatieplicht. Hij moet de wederpartij een redelijke mogelijkheid geven van de voorwaarden kennis te nemen. Dit heet ‘ter hand stellen’.

Een beding is (onder meer) vernietigbaar als de gebruiker dit niet heeft gedaan (art. 6:233 sub b BW). Zo wordt de wederpartij beschermd tegen nare bijwerkingen van voor haar onbekende voorwaarden.

De Hoge Raad: wanneer is een wederpartij met voorwaarden ‘bekend’?

De Hoge Raad (HR) maakte op de bevoegdheid tot vernietiging in 1999 een belangrijke uitzondering in het arrest Geurtzen/Kampstaal. Volgens de HR kan de wederpartij een beding niet vernietigen, als zij bij het sluiten van de overeenkomst met dat beding bekend was of geacht kon worden daarmee bekend te zijn.

De HR gaf toen twee voorbeelden van deze ‘bekendheidsuitzondering’:

  • als partijen regelmatig gelijksoortige overeenkomsten sluiten en de gebruiker zijn voorwaarden al bij de eerste overeenkomst ter hand had gesteld; en
  • een winkel hangt een bordje op, dat zij niet aansprakelijk is voor een bepaald voorval (zoals verlies of diefstal van eigendommen).

In beide gevallen was het dus de gebruiker zelf die zijn voorwaarden actief op de één of andere manier bekend had gemaakt aan zijn wederpartij. Die eis stelde de HR ook nog in een arrest uit 2011. In dat arrest (First Data/Attingo) oordeelde de HR dat een gebruiker niet aan zijn informatieplicht voldoet, wanneer zijn voorwaarden alleen (door een zoekopdracht) op internet kunnen worden gevonden.

Daarnaast konden zich volgens de HR omstandigheden voordoen waarin een beroep op vernietiging door de wederpartij onaanvaardbaar was. Maar dat laatste is een behoorlijk hoge drempel om te halen.

In het arrest van 11 november 2022 is de mogelijkheid tot vernietiging verder ingeperkt. De HR komt daarmee terug van zijn arrest uit 2011 enoordeelt nu dat een wederpartij algemene voorwaarden niet meer kan vernietigen als hij daarmee bekend is. Het maakt volgens de HR niet meer uit of die bekendheid door toedoen van de gebruiker is ontstaan, of dat hij “toevallig” op een andere manier bekend is geraakt met deze voorwaarden. Denk in dit geval aan de bestuurder van De Eendracht die de cursus heeft gevolgd.

Mijn commentaar

De HR beperkt met dit nieuwe arrest de wettelijke bevoegdheid tot vernietiging van art. 6:233 sub b BW. Dat sluit niet aan bij de tekst van de wet. Toch past die verruiming van ‘de bekendheidsuitzondering’ wel bij het wettelijke stelsel. Zo regelt art. 6:235 lid 3 BW dat een wederpartij ook geen beroep op vernietiging toekomt, als zij (praktisch) dezelfde voorwaarden meermaals in haar eigen contracten gebruikt. Ook dan is zij immers bekend met de voorwaarden. Wie voorwaarden al kent, hoeft niet meer beschermd te worden tegen ‘onbekende voorwaarden’. De nalatige gebruiker valt daarmee een ‘gelukje’ in de schoot.

Meer weten over cassatie?

Voert u een procedure in hoger beroep en verwacht u dat de zaak  bij de Hoge Raad zal komen? Dan is het slim om nu alvast advies in te winnen bij een cassatie-advocaat over uw kans van slagen als u uw zaak voorlegt aan de Hoge Raad.

Ekelmans Advocaten heeft een hoog aangeschreven cassatiepraktijk. De betrokkenheid van onze advocaten leidt geregeld tot belangwekkende arresten van de Hoge Raad.

Onze advocaten Cassatie en Expert Litigation zijn procesrechtelijke experts, die de grote lijnen inzichtelijk maken en in de finesses scherpte brengen.

We verzenden ook een nieuwsbrief Civiele Procespraktijk naar onze contacten. Interesse? Dan ontvangen we graag uw inschrijving.

Auteur

Marieke van der Keur is een ervaren cassatieadvocaat. Daarnaast staat zij advocaten bij in beroepsaansprakelijkheidszaken. Ook adviseert zij advocaten als ‘lawyer-to-lawyer’, bijvoorbeeld in complexe of principiële zaken waarin partijen tijdig op een cassatie willen voorsorteren.

Partner- & kinderalimentatie: niet-wijzigingsbeding en ouderschapsverlof

Partner- & kinderalimentatie: niet-wijzigingsbeding en ouderschapsverlof 1000 666 Ekelmans Advocaten
Partner- en kinderalimentatie: niet-wijzigingsbeding en ouderschapsverlof
Leestijd: 3 minuten
Lesedauer: 3 Minuten
Reading time: 3 minutes

De Hoge Raad heeft een uitspraak gedaan over partner- én kinderalimentatie en beantwoordt twee veel voorkomende vragen. Kan een niet-wijzigingsbeding in een gezamenlijk verzoekschrift? En leidt het opnemen van ouderschapsverlof door de ene ouder ertoe dat de andere ouder méér moet bijdragen aan de kosten van de kinderen? Cassatieadvocaat Marieke van der Keur bespreekt in dit blog de antwoorden op deze vragen.

HR 21 oktober 2022, ECLI:NL:HR:2022:1493

Partneralimentatie: kan een niet-wijzigingsbeding in een gezamenlijk verzoekschrift?

Als echtgenoten scheiden kunnen zij afspraken maken over de hoogte van partneralimentatie in een Convenant. Daarbij mogen zij afspreken dat de rechter de alimentatie niet mag aanpassen bij een wijziging van omstandigheden. Dit heet een “niet-wijzigingsbeding”. Om te voorkomen dat partijen ondoordacht zo’n ingrijpende afspraak maken, eist de wet dat zo’n beding schriftelijk wordt vastgelegd (art. 1:159 BW). Wat betekent die eis?

❌  Het is niet genoeg wanneer partijen op een zitting zo’n niet-wijzigingsbeding mondeling afspreken, en dat die afspraak vervolgens wordt vastgelegd in het verslag van de zitting.

✅  Echtgenoten kunnen tegenwoordig scheiden ‘op gemeenschappelijk verzoek’. Daarbij dient één advocaat namens hen een verzoekschrift tot echtscheiding in. Is dit genoeg? De Hoge Raad vindt van wel: de wet eist namelijk niet dat er een document is dat door beide echtgenoten zelf is ondertekend.

Kinderalimentatie: leidt ouderschapsverlof tot hogere kinderalimentatie?

De moeder neemt 4 uur ouderschapsverlof op om voor de twee jonge kinderen te zorgen. Moeder voert aan dat zij alleen voor de opvoeding staat en daaraan meer tijd wil besteden. Ook verwacht de school dat ouders huiswerk maken met de kinderen en deelnemen aan activiteiten op school.

Het opnmen van ouderschapsverlof leidt tot een inkomensvermindering van de moeder. De vrouw verlangt daarom dat de vader tijdens het verlof naar verhouding méér bijdraagt in de kosten van kinderen. Volgens het hof is het opnemen van ouderschapsverlof een keuze van de vrouw, en moet die dus niet ten laste van de vader komen door zijn aandeel in de kinderalimentatie te verhogen.

De Hoge Raad ziet dit niet zo zwart-wit: het hangt van de omstandigheden van het geval af of en in hoeverre de rechter met die inkomensvermindering rekening dient te houden. De Hoge Raad noemt een aantal factoren, die van belang zijn:

  • de gezinssituatie van de ouder die van het verlof gebruik wil maken;
  • de leeftijd en zorgbehoefte van het kind of de kinderen;
  • de voor hen geldende zorgregeling;
  • de mate van inkomensvermindering en de invloed daarvan op de bijdrage van de andere ouder; en
  • de financiële omstandigheden van die andere ouder.

Als een ouder ouderschapsverlof opneemt en dat tot een procedure over kinderalimentatie leidt, is het voor de ouders en hun advocaten dus van belang bij deze punten stil te staan. De rechter moet daar dan ook in zijn motivering op ingaan.

Meer weten over cassatie?

Voert u een procedure in hoger beroep en verwacht u dat de zaak  bij de Hoge Raad zal komen? Dan is het slim om nu alvast advies in te winnen bij een cassatie-advocaat over uw kans van slagen als u uw zaak voorlegt aan de Hoge Raad.

Ekelmans Advocaten heeft een hoog aangeschreven cassatiepraktijk. De betrokkenheid van onze advocaten leidt geregeld tot belangwekkende arresten van de Hoge Raad.

Onze advocaten Cassatie en Expert Litigation zijn procesrechtelijke experts, die de grote lijnen inzichtelijk maken en in de finesses scherpte brengen.

We verzenden ook een nieuwsbrief Civiele Procespraktijk naar onze contacten. Interesse? Dan ontvangen we graag uw inschrijving.

Auteur

Marieke van der Keur is een ervaren cassatieadvocaat. Daarnaast staat zij advocaten bij in beroepsaansprakelijkheidszaken. Ook adviseert zij advocaten als ‘lawyer-to-lawyer’, bijvoorbeeld in complexe of principiële zaken waarin partijen tijdig op een cassatie willen voorsorteren.

Huwelijkse voorwaarden: finaal verrekenbeding en vergoedingsrechten

Huwelijkse voorwaarden: finaal verrekenbeding en vergoedingsrechten 1600 1066 Ekelmans Advocaten
Huwelijkse voorwaarden finaal
Leestijd: 5 minuten
Lesedauer: 5 Minuten
Reading time: 5 minutes

De Hoge Raad heeft weer een uitspraak gedaan over de betekenis van het finaal verrekenbeding in Huwelijkse Voorwaarden. De zaak gaat over een ‘alsof’-beding: daarbij wordt bij het einde van het huwelijk afgerekend alsof er een gemeenschap van goederen heeft bestaan. Afgesproken was dat schenkingen en erfenissen niet verrekend zouden worden, maar privé-bezit zouden blijven. Cassatie-advocaat Marieke van der Keur voerde de cassatieprocedure en bespreekt in dit blog het arrest van de Hoge Raad.

HR 7 oktober 2022, ECLI:NL:HR:2022:1389

Afrekening aan het einde van het huwelijk


De feiten

De man en de vrouw zijn getrouwd in de jaren ’90 met Huwelijkse Voorwaarden (HV). In artikel 8 HV staat dat de kosten van de huishouding worden voldaan uit ieders netto-inkomen naar evenredigheid. Er is niet geregeld dat wie méér bijdraagt, daarvoor wordt gecompenseerd. Verder hebben zij afgesproken bij het einde van het huwelijk af te rekenen alsof zij getrouwd zijn geweest in gemeenschap van goederen. Dit type finaal verrekenbeding noemt men daarom ook wel een ‘alsof’-beding. Tot slot is geregeld dat buiten die verrekening blijft alles wat een echtgenoot ontvangt als erfenis of schenking. De man heeft tijdens het huwelijk ruim € 130.000 als erfenis of schenking ontvangen. Als het huwelijk in 2016 eindigt, is al dat geld al uitgegeven. De vrouw vordert afwikkeling van de Huwelijkse Voorwaarden. Volgens haar moet het vermogen dat de echtgenoten bij het einde van het huwelijk hadden worden verrekend.

Oordeel rechtbank en het hof

De rechtbank is dat met de vrouw eens en veroordeelt de man om aan zijn vrouw ruim € 60.000 te betalen. Het hof verlaagt dat bedrag in hoger beroep tot € 10.000. Volgens het hof moet het vólledige bedrag van € 130.000 dat de man uit erfenis en schenking heeft ontvangen buiten de verrekening blijven. Ik stelde voor de vrouw cassatieberoep in. Ik heb geklaagd dat het hof twee zaken verkeerd ziet:

1. Verrekening van aanwezig vermogen
Alleen geld uit schenking of erfenis dat bij het einde van het huwelijk nog aanwezig is, kan buiten de verrekening blijven.

2. Vergoedingsrecht
Verder is onduidelijk of het hof heeft bedoeld dat het ‘schenkingsgeld’ van de man is uitgegeven ten behoeve van beide echtgenoten en hij daarom ‘een vergoedingsrecht’ heeft dat hij kan verrekenen.De wet regelt namelijk voor echtgenoten die in gemeenschap van goederen zijn getrouwd, dat de echtgenoot uit wiens vermogen een schuld van de gemeenschap is voldaan, recht heeft op vergoeding. Dit is het recht van reprise (art. 1:96 lid 4 BW). In de omgekeerde situatie moet de echtgenoot de gemeenschap compenseren: de recompense (art. 1:96 lid 5 BW).Betekent een ‘alsof’-beding in Huwelijkse Voorwaarden dat vergelijkbare vergoedingsrechten zijn overeengekomen?

De conclusie van Advocaat-Generaal Wesseling – van Gent

Op 14 januari 2022 schreef Advocaat-Generaal Wesseling-van Gent een conclusie over deze zaak. Volgens haar had het hof er bij moeten stilstaan dat bij het einde van het huwelijk het ‘schenkingsgeld’ al was uitgegeven. Verder gaat zij in op het tweede punt dat ik tijdens het cassatieberoep inbracht. Namelijk of er bij een finaal verrekenbeding zónder expliciete regeling in de huwelijkse voorwaarden plaats is voor een analoog recht van reprise. Zij noemt veel literatuur en jurisprudentie waaruit blijkt dat dat niet erg duidelijk is.

Het oordeel van de Hoge Raad

1. Wat moet er verrekend worden?
De Hoge Raad wijst erop dat de wet bepaalt voor finale verrekenbedingen op welk tijdstip de samenstelling en omvang van het te verrekenen vermogen wordt bepaald (de peildatum, art. 1:142 BW). Verder brengt de wet mee dat goederen die een echtgenoot voor of tijdens het huwelijk ontvangt uit schenking of erfenis, buiten de verrekening blijven als zij aanwezig zijn op de peildatum. Partijen kunnen in een ‘alsof’-beding aansluiting zoeken bij de omvang van de wettelijke gemeenschap.

2. Hebben partijen vergoedingsrechten willen overeenkomen?
De wet kent echtgenoten die getrouwd zijn onder huwelijkse voorwaarden geen vergoedingsrecht toe voor goederen die op de peildatum niet aanwezig zijn, omdat zij al zijn uitgegeven.Of een ‘alsof’-beding betekent dat naar analogie vergoedingsrechten gelden, is een kwestie van uitleg van de huwelijkse voorwaarden.Partijen kunnen met een alsof-beding namelijk ook uitsluitend willen aanhaken bij de regels over de omvang van de wettelijke gemeenschap. Of zij daarnáást met dit beding óók vergoedingsrechten overeenkomen, is een kwestie van uitleg.Die voorwaarden worden uitgelegd aan de hand van de Haviltex-norm, waarbij bijzondere aandacht is voor de vorm van de notariële akte en de rol van de notaris. Van belang is of partijen naast het ‘alsof’-beding al andere regelingen hebben getroffen voor vergoedingsrechten, zoals bijvoorbeeld voor de kosten van de huishouding. Ook is van belang of partijen in hun huwelijkse voorwaarden iets zijn overeengekomen over de berekening van de verrekenvordering.

Een bijzondere categorie vergoedingsrecht


Privé-geld van een echtgenoot gaat op aan consumptieve bestedingen
Het komt in de praktijk veel voor dat privé-geld van een echtgenoot opgaat aan consumptieve bestedingen. Voor de gemeenschap van goederen is een arrest van de Hoge Raad van 5 april 2019 van belang.

In die zaak waren partijen in gemeenschap van goederen getrouwd. De vrouw had een schenking onder uitsluitingsclausule gekregen. Het geld was gestort op een gemeenschappelijke bankrekening. Het was door vermenging tot het gemeenschapsvermogen gaan behoren.

De Hoge Raad oordeelde dat de vrouw daardoor in principe ten aanzien van de gemeenschap recht kreeg op vergoeding van het gestorte bedrag. Dat het bedrag is besteed aan consumptieve uitgaven doet daar volgens de Hoge Raad niet aan af.

Het was onduidelijk of een echtgenoot die getrouwd was onder huwelijkse voorwaarden met een ‘alsof’-beding een vergelijkbaar vergoedingsrecht kon hebben. Het Hof Arnhem-Leeuwarden had op 8 oktober 2020 geoordeeld dat dat niet kon. De Hoge Raad oordeelt nu dat dit wél kan, maar de inhoud van een specifieke set Huwelijkse Voorwaarden kan daar aan in de weg staan. In dit geval is bijvoorbeeld in art. 8 HV geregeld dat zij hun privé-vermogen dienen aan te spreken als er niet voldoende inkomen is om te voorzien in de kosten van de huishouding. Er is niet overeengekomen dat hun dan daarvoor een vergoedingsrecht toekomt. Daardoor ligt het niet erg voor de hand om aan te nemen dat partijen een recht van reprise zijn overeengekomen.

In het november nummer van Ars Aequi verschijnt een (meer uitvoerige) noot van prof. mr. André Nuytinck bij dit arrest.

Meer weten over cassatie?

Voert u een procedure in hoger beroep en verwacht u dat de zaak  bij de Hoge Raad zal komen? Dan is het slim om nu alvast advies in te winnen bij een cassatie-advocaat over uw kans van slagen als u uw zaak voorlegt aan de Hoge Raad.

Ekelmans Advocaten heeft een hoog aangeschreven cassatiepraktijk. De betrokkenheid van onze advocaten leidt geregeld tot belangwekkende arresten van de Hoge Raad.

Onze advocaten Cassatie en Expert Litigation zijn procesrechtelijke experts, die de grote lijnen inzichtelijk maken en in de finesses scherpte brengen.

We verzenden ook een nieuwsbrief Civiele Procespraktijk naar onze contacten. Interesse? Dan ontvangen we graag uw inschrijving.

Auteur

Marieke van der Keur is een ervaren cassatieadvocaat. Daarnaast staat zij advocaten bij in beroepsaansprakelijkheidszaken. Ook adviseert zij advocaten als ‘lawyer-to-lawyer’, bijvoorbeeld in complexe of principiële zaken waarin partijen tijdig op een cassatie willen voorsorteren.

Hoe stelt appellant zich in hoger beroep?

Hoe stelt appellant zich in hoger beroep? 1600 1163 Ekelmans Advocaten
Zandloper en hamer appellant stellen
Leestijd: 3 minuten
Lesedauer: 3 Minuten
Reading time: 3 minutes

Wanneer heeft zich een advocaat gesteld voor een appellant in hoger beroep? En hoe moet het hof die partij de gelegenheid bieden dat alsnog te doen? Cassatie-advocaat Marieke van der Keur geeft antwoord op deze vragen aan de hand van de uitspraak van de Hoge Raad.

HR 7 oktober 2022, ECLI:NL:HR:2022:1387

De feiten: ontslag van instantie als gevolg van niet verschijnen

Depra heeft in een appeldagvaarding hoger beroep ingesteld tegen OLB.

OLB heeft de zaak vervroegd bij het hof aangebracht (via een anticipatie-exploot). In dat exploot is ook aangezegd dat OLB ontslag van instantie zou vorderen als zich geen advocaat voor Depra zou stellen.

Het hof heeft geconstateerd dat op die roldatum zich voor Depra geen advocaat heeft gesteld. De zaak is verwezen naar de rol van 22 december 2020 voor het stellen van een advocaat door Depra. Er heeft zich geen advocaat gesteld. OLB heeft gevraagd om bij arrest van de instantie te worden ontslagen. Het hof heeft dat verzoek toegewezen. Depra heeft cassatie ingesteld.

Hoge Raad: Wanneer is appellant bij advocaat in rechte verschenen?

In cassatie liggen twee vragen voor:

Vraag 1: Wanneer heeft zich voor appellant een advocaat gesteld?
De Hoge Raad oordeelt dat wanneer in de appeldagvaarding een advocaat is genoemd, die advocaat zich nog niet voor die partij heeft gesteld. Daarvoor is nodig dat de advocaat zich op de rol stelt.

Vraag 2: Wanneer biedt het hof voldoende gelegenheid om dat alsnog te doen?
Wanneer zich nog geen advocaat op de rol heeft gesteld voor een appellant, biedt de rechter hem de gelegenheid gedurende een door hem te bepalen termijn alsnog advocaat te stellen (art. 127 lid 2 Rv. jo. art. 123 lid 1 Rv.).

Het hof kan niet volstaan met een aantekening hiervan op de rol. Een partij zal zich meestal van zijn verzuim niet bewust zijn en zal daarom de rol helemaal niet raadplegen.

Het hof moet dus direct contact opnemen met de partij om het verzuim te laten herstellen. De griffier moet die partij van dat verzuim in kennis stellen én gelegenheid bieden voor herstel. Indien die partij in de dagvaarding heeft vermeld welke advocaat haar in de procedure zal vertegenwoordigen, moet deze mededeling worden gedaan aan die advocaat.

Meer weten over cassatie?

Voert u een procedure in hoger beroep en verwacht u dat de zaak  bij de Hoge Raad zal komen? Dan is het slim om nu alvast advies in te winnen bij een cassatie-advocaat over uw kans van slagen als u uw zaak voorlegt aan de Hoge Raad.

Ekelmans Advocaten heeft een hoog aangeschreven cassatiepraktijk. De betrokkenheid van onze advocaten leidt geregeld tot belangwekkende arresten van de Hoge Raad.

Onze advocaten Cassatie en Expert Litigation zijn procesrechtelijke experts, die de grote lijnen inzichtelijk maken en in de finesses scherpte brengen.

We verzenden ook een Nieuwsbrief Civiele Procespraktijk naar onze contacten. Interesse? Dan ontvangen we graag uw inschrijving.

Auteur

Marieke van der Keur is een ervaren cassatieadvocaat. Daarnaast staat zij advocaten bij in beroepsaansprakelijkheidszaken. Ook adviseert zij advocaten als ‘lawyer-to-lawyer’, bijvoorbeeld in complexe of principiële zaken waarin partijen tijdig op een cassatie willen voorsorteren.

Beslag op huurtoeslag mag ook voor een oudere huurschuld

Beslag op huurtoeslag mag ook voor een oudere huurschuld 2560 1707 Ekelmans Advocaten
Real estate mortgage concept with small house models on coins row
Leestijd: 2 minuten
Lesedauer: 2 Minuten
Reading time: 2 minutes

De Hoge Raad bepaalt, dat beslag mag worden gelegd voor een oudere huurschuld op ‘nieuwe’ huurtoeslag. Als de huurder daardoor de lopende maand(en) niet meer kan betalen, moet daarmee wel rekening worden gehouden als de verhuurder ontbinding wegens een langdurige betaalachterstand vordert.

HR 24 juni 2022, ECLI:NL:HR:2022:931

Verrekening van betalingen

Portaal moet servicekosten terugbetalen aan een huurder over de jaren 2017 en 2018. Zij verklaart dat zij die schuld verrekent met de oude huurschuld van de huurder.

Nu Portaal duidelijk aangeeft met welke schuld zij verrekent, wordt volgens de Hoge Raad niet toegekomen aan de standaard volgorde voor verrekening die art. 6:43 lid 2 BW noemt. Die standaardregeling geldt alleen (als vangnet) als de verrekenverklaring niet duidelijk maakt met welke schuld wordt verrekend.

Zo’n verklaring tot verrekening kan zelfs nog worden afgelegd als de vordering van de verhuurder al is verjaard. (art. 6:131 lid 1 BW).

Beslagverbod en uitzonderingen

Een andere vraag is of de verhuurder voor een oude huurschuld beslag mag leggen op de ‘nieuwe’ huurtoeslag van zijn huurder. Tot nu toe werd daarover door rechters in Nederland verschillend geoordeeld. De Hoge Raad maakt duidelijk dat het wél mag.

Volgens artikel 475a Rv mag geen beslag worden gelegd op vorderingen of zaken die niet ‘vatbaar zijn voor beslag’. Ook voor huurtoeslag geldt in principe een beslagverbod: de huurder moet de huurtoeslag kunnen gebruiken om zijn huur te betalen. Een uitzondering op dit verbod geldt voor de verhuurder van de huidige woning (art. 45, lid 1-a Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen). Deze wet eist niet dat de verhuurder beslag legt voor een huurschuld uit dezelfde periode, als waarvoor de huurtoeslag is toegekend. Dit betekent dat beslag dus ook mag worden gelegd ter incasso van een oudere huurschuld. Het beslag mag zelfs dienen tot verhaal van de rente en kosten die de huurder over die oude huurschuld schuldig is.

De toepassing van de tenzij-bepaling van art. 6:265 lid 1 BW

Als er beslag gelegd wordt op de huurtoeslag voor een oude huurschuld, bestaat de kans dat de huurder dáárdoor niet in staat is om de lopende huur tijdig te betalen. Er kan een nieuwe huurschuld ontstaan. Doet deze situatie zich voor en vordert de verhuurder ontbinding omdat meerdere maanden geen huur is betaald, dan moet de rechter dat meewegen. Ontbinding kan nl. niet gerechtvaardigd zijn, als de tekortkoming die gezien haar bijzondere aard niet rechtvaardigt (art. 6:265 lid 1 BW).

Auteur

Ook een nadelige beslissing in een uitspraak met een gunstig dictum heeft gezag van gewijsde

Ook een nadelige beslissing in een uitspraak met een gunstig dictum heeft gezag van gewijsde 2560 1707 Ekelmans Advocaten
Sailing ship yacht with white sails in the sea.
Leestijd: 2 minuten
Lesedauer: 2 Minuten
Reading time: 2 minutes

Een partij krijgt van de rechtbank een uitspraak met een gunstig dictum. Dat dictum is gebaseerd op één of meer voor die partij nadelige beslissingen. Komt aan die beslissingen ook gezag van gewijsde toe? En moet die partij om dat te voorkomen hoger beroep instellen, ook al is het dictum voor die partij gunstig?

HR 13 mei 2022, ECLI:NL:HR:2022:683

De feiten: twee procedures over dezelfde vraag

X en Y zijn bestuurders van Stichting De Drie Geuzen. X ontslaat Y op staande voet. Daarna worden twee procedures gevoerd:

    1. X verzoekt de rechtbank Y te ontslaan, “voor zover de rechtbank mocht besluiten dat Y niet al rechtsgeldig als bestuurder van de Stichting was ontslagen.” De rechtbank wijst dit verzoek af in haar beschikking, omdat Y volgens haar al is ontslagen bij een geldig bestuursbesluit. Hiertegen stelt Y geen hoger beroep in. Het dictum luidt immers in zijn voordeel.
    2. X vordert bij de rechtbank in een dagvaardingsprocedure het ontslagbesluit te vernietigen. De rechtbank wijst deze vordering af, omdat aan de eerdere beschikking gezag van gewijsde toekomt. Het hof bekrachtigt dat.

De Hoge Raad: gezag van gewijsde?

In cassatie ligt de vraag voor of, aan de beschikking gezag van gewijsde toekomt, nu het dictum volledig in het voordeel van X is.

De HR oordeelt dat dat zo is. Als een vonnis of beschikking onherroepelijk wordt, krijgen het dictum én de beslissingen waarop dat berust, gezag van gewijsde. Als partijen over hetzelfde geschilpunt een nieuwe procedure voeren, kunnen zij een beroep doen op het gezag van gewijsde van die beslissingen. Dat geldt óók voor nadelige beslissing die tot een gunstig dictum hebben geleid. Daarom kan de gedaagde of verweerder voldoende belang hebben bij een rechtsmiddel tegen die uitspraak, ook al was het dictum in zijn voordeel.

Huiswerk voor advocaten en partijen die appel overwegen

Advocaten en partijen die een uitspraak krijgen met een gunstig dictum, maar waarin wél ongunstige beslissingen staan, moeten dus goed hun knopen tellen. Als zij geen hoger beroep instellen, staan die ongunstige beslissingen vast. Als zij wél hoger beroep instellen, lokt dat bijna zeker een incidenteel appel uit van de wederpartij.

Auteur

Verjaring: heeft een benadeelde partij een onderzoeksplicht?

Verjaring: heeft een benadeelde partij een onderzoeksplicht? 2560 1709 Ekelmans Advocaten
Judge's gavel on its plinth next to a bell clock in close-up on white background
Leestijd: 4 minuten
Lesedauer: 4 Minuten
Reading time: 4 minutes

Een vordering tot schadevergoeding verjaart binnen vijf jaar, nadat de benadeelde bekend raakt met zijn schade én de persoon die daarvoor aansprakelijk is. Een benadeelde zal niet altijd alle feiten meteen op een rij hebben. Begint de verjaring pas als hij bekend is met alle feiten, of al als hij daarmee bekend kan en moet zijn? Anders gezegd: heeft hij een onderzoeksplicht?

HR 22 april 2022, ECLI:NL:HR:2022:627

Na echtscheiding moet er worden verrekend tussen de man en de vrouw. De vrouw ontvangt in 2008 een brief van de man over de omvang van goodwill waarop hij aanspraak kan maken tegenover zijn voormalige bedrijf. Zij leidt uit die brief af dat hij recht heeft op € 600.000. In 2014 blijkt haar dat het bedrijf hem een toezegging had gedaan van € 1.725.000, én dat daarvan al € 600.000 was uitgekeerd. In 2017 vordert zij schadevergoeding op grond van art. 6:162 BW, omdat hij dit heeft verzwegen.

Het hof: de verjaring is begonnen, zodra de vrouw kon en moest weten dat de man recht had op méér dan 6 ton goodwill…

Het hof oordeelt dat de vordering van de vrouw is verjaard (art. 3:310 lid 1 BW). Volgens het hof begon de verjaring te lopen zodra de vrouw of haar adviseurs uit de brief redelijkerwijs hadden “kunnen of moeten begrijpen” dat de man naast het voorschot méér goodwillaanspraken had.

In cassatie klaagt de vrouw dat het hof ten onrechte niet is uitgegaan van wat de vrouw wist, maar wat zij móest weten.

Hoge Raad in 2010: beperkte onderzoeksplicht

In 2010 in het arrest X/Bemoti (HR 3 december 2010, ECLI:NL:HR:2010:BN6241) heeft de Hoge Raad voor het eerst een heel beperkte onderzoeksplicht aangenomen.
In die zaak vond in 1996 een aanrijding plaats tussen een 9-jarige fietser en een betonmolen. Het kind botst tegen de achterzijde van de betonmolen en raakt ernstig gewond. De vrachtwagen heeft een opvallende kleur en draagt twee firma-namen. De politie noteert bovendien het kenteken van de vrachtwagen. Pas in 2003 en 2004 stelt de moeder de firma’s en de bestuurder aansprakelijk. Zij beroepen zich op de vijfjarige verjaringstermijn: de moeder was kort na het ongeval al bekend was met de schade en de daarvoor aansprakelijke persoon.
De Hoge Raad stelt dat daadwerkelijke bekendheid vereist is vóórdat de verjaringstermijn begint. Maar dit betekent ook weer niet dat de moeder die de identiteit van de aansprakelijke persoon met een beperkt onderzoek eenvoudig had kúnnen achterhalen, maar dat heeft nagelaten, ter afwering van een beroep op verjaring kan stellen dat zij niet wist wie zijn schade had veroorzaakt. Het strookt niet met de rechtszekerheid en de billijkheid dat zij door een eenvoudig onderzoek na te laten, zou kunnen voorkomen dat de korte verjaringstermijn begint.

Verschillende meningen over aanvang verjaring

Sindsdien is er in de literatuur discussie gevoerd over de vraag hoever deze onderzoeksplicht van een benadeelde gaat.

Advocaat-Generaal (A-G) Wesseling-Van Gent zette in haar Conclusie vóór het arrest van 22 april 2022 de verschillende meningen uiteen.

Volgens Hartkamp, Sieburgh en Katan rust op de benadeelde in beginsel géén onderzoeksplicht. Nu volgens art. 3:310 BW de verjaring pas gaat lopen als de benadeeld daadwerkelijk bekend is met zijn schade en de persoon die hij daarvoor aansprakelijk kan stellen, heeft de benadeelde geen onderzoeksplicht die verder gaat dan het arrest uit 2010.

Hartlief, Du Perron, Smeehuijzen en Tjong Tjin Tai meenden dat van de benadeelde een beperkt onderzoek naar de identiteit van de daarvoor aansprakelijke persoon én naar de oorzaak van de schade mag worden verlangd. Volgens deze auteurs mag de eis dat een benadeelde bekend is met de schade en de aansprakelijke persoon, er niet toe leiden dat de benadeelde zich “van de domme” kan houden. Als er voldoende aanknopingspunten zijn voor het bestaan van aansprakelijkheid van een voldoende bepaald persoon, mag van hem enig onderzoek verwacht worden.

Hoeveel onderzoek een benadeelde moet doen, was dus niet erg duidelijk.

De Hoge Raad in 2022: nog steeds beperkte onderzoeksplicht

De Hoge Raad vernietigt het arrest van het hof.

De Hoge Raad benadrukt dat de benadeelde daadwerkelijk bekend moet zijn met de schade en de persoon die daarvoor aansprakelijk is. Hiervan kan pas sprake zijn als de benadeelde voldoende zekerheid – die niet een absolute zekerheid behoeft te zijn – heeft verkregen dat er schade is veroorzaakt door een fout. Daarvoor is dus niet voldoende dat de vrouw met het gestelde onrechtmatig handelen en met de gestelde schade bekend “had kunnen of moeten zijn”.

De Hoge Raad houdt dus vast aan de eis dat voor het gaan lopen van de korte verjaringstermijn daadwerkelijke bekendheid vereist is. De Hoge Raad lijkt afgezien van de beperkte onderzoeksplicht naar de identiteit van de aansprakelijke persoon, geen ruimte te laten voor een verdergaande onderzoekplicht van de benadeelde naar de feiten over de schade en de persoon die daarvoor aansprakelijk is.

Auteur

Deformalisering: te late betekening exploot bij echtscheiding

Deformalisering: te late betekening exploot bij echtscheiding 2560 2560 Ekelmans Advocaten
Family Quarrel - Unhappy Young Couple Standing Arms Crossed Back to Back. Pop Art Vector illustration
Leestijd: 2 minuten
Lesedauer: 2 Minuten
Reading time: 2 minutes

Als één echtgenoot een verzoek tot echtscheiding indient bij de rechtbank, moet hij dat verzoek aan zijn echtgenoot door de deurwaarder laten betekenen. Volgens de wet moet dat binnen 14 dagen. De Hoge Raad oordeelde op 1 april dat als dat iets later gebeurt, de rechter het verzoek tot echtscheiding toch moet behandelen.

HR 1 april 2022, ECLI:NL:HR:2022:481

Als één echtgenoot een verzoek tot echtscheiding indient bij de rechtbank, moet hij dat verzoek aan zijn echtgenoot door de deurwaarder laten betekenen. Volgens art. 816 Rv moet dat binnen 14 dagen. In het exploot van de deurwaarder moet de termijn staan waarop verweer kan worden gevoerd tegen het verzoek tot echtscheiding of daarvoor uitstel kan worden gevraagd. Ook moet het exploot vermelden dat één en ander door een advocaat dient te worden gedaan. Het originele exploot moet ter griffie worden ingediend.

In deze zaak laat de man zijn verzoek ruim twee weken te laat bij zijn vrouw betekenen. De vrouw verschijnt niet in de procedure: niet bij de rechtbank en niet bij het hof. Rechtbank en hof verklaren de man daarom niet-ontvankelijk in zijn verzoek tot echtscheiding.

De Hoge Raad vernietigt

De Hoge Raad stelt voorop dat de gedachte achter art. 816 lid 1 Rv is te verzekeren dat het verzoek tot echtscheiding de andere echtgenoot tijdig bereikt. De wetgever heeft geen reden gegeven voor de keuze voor een termijn van 14 dagen.

Art. 816 lid 3 Rv bepaalt dat als lid 1 niet in acht is genomen of het exploot een ander gebrek kent, art. 120 Rv analoog van toepassing is. Dat artikel bepaalt dat een nietig exploot kan worden hersteld. Dat artikel leent zich echter niet voor (analoge) toepassing als het exploot te laat is uitgebracht: herstel van termijnoverschrijding is niet mogelijk.

Toch moest de rechtbank het verzoek van de man in behandeling nemen volgens de Hoge Raad. De HR wijst er op dat de wetgever geen bijzondere reden had om betekening binnen 14 dagen voor te schrijven. Ook wijst de Hoge Raad op het algemene uitgangspunt van art. 120 Rv, dat een verzuim moet kunnen worden hersteld. Daarom dient overschrijding van deze 14 dagen-termijn niet automatisch te leiden tot niet-ontvankelijkheid.
In dit geval is het verzoek via de deurwaarder wél (binnen redelijke tijd) bij de vrouw betekend. De man heeft als bewijs daarvan het originele exploot bij de rechtbank ingediend. Daarom had de rechtbank het verzoek van de man tot echtscheiding in behandeling moeten nemen. De Hoge Raad doet de zaak zélf af. Hij verwijst de zaak terug naar de rechtbank, die de vrouw een nieuwe termijn voor verweer moet geven.

Auteur

AVG: Google en een link naar een zwarte lijst

AVG: Google en een link naar een zwarte lijst 2560 1696 Ekelmans Advocaten
Black list message handwritten on the blackboard
Leestijd: 3 minuten
Lesedauer: 3 Minuten
Reading time: 3 minutes

Een arts verzoekt de rechter Google een link naar de site zwartelijstartsen.nl te laten verwijderen. Ik bespreek aan welke maatstaf zo’n verzoek tot verwijdering van tuchtrechtelijke persoonsgegevens wordt getoetst. De Hoge Raad laat dat in het midden. Hij oordeelt dat de arts veroordeeld mocht worden in de proceskosten.

HR 25 februari 2022, ECLI:NL:HR:2022:329

Casus

Een plastisch chirurg is in 2016 door het Centraal Tuchtcollege voorwaardelijk geschorst. Google geeft een koppeling naar zwartelijstartsen.nl.
De arts staat daar met naam, BIG-nummer, een foto, de uitspraak van het Tuchtcollege en een krantenbericht uit 2016. In 2017 verzoekt zij Google deze koppeling te verwijderen. Google weigert dit.

De afweging

De rechtbank wijst het verzoek tot verwijdering van de link toe. Het hof wijst het verzoek af, en toetst daarbij aan art. 17 AVG. Het hof overweegt dat het van belang kan zijn, dat de tuchtmaatregel recent is opgelegd. Het grote publiek heeft er belang bij hiervan kennis te kunnen nemen. Volgens het hof pakt de afweging niet anders uit, als wordt getoetst aan de strengere norm voor strafrechtelijke persoonsgegevens (art. 10 AVG).

De Hoge Raad laat (helaas) in het midden aan welke norm een verzoek tot het verwijderen van tuchtrechtelijke persoonsgegevens moet worden getoetst. Advocaat-Generaal Drijber schreef in zijn Conclusie dat tuchtrechtelijke uitspraken onder de AVG (anders dan voorheen onder de Wet bescherming persoonsgegevens) op zich geen strafrechtelijke gegevens zijn. Toetsing aan art. 17 AVG lijkt te volstaan.

De Hoge Raad benadrukt dat de strenge toets van art. 10 AVG een afweging van belangen vergt. Aan de ene kant van de weegschaal staan de privacybelangen van de betrokkene (de arts). Deze worden afgewogen tegen de vrijheid van informatie van het publiek. Daarbij moet worden nagegaan of het vermelden van de persoonsgegevens strikt noodzakelijk is in het kader van de informatievrijheid.
Of de afweging van het hof in dit geval begrijpelijk was, toetst de Hoge Raad niet. Daar had de arts in cassatie namelijk niet over geklaagd. Waarschijnlijk omdat het oordeel van het hof niet vreemd is, vanwege de recente tuchtrechtelijke maatregel.

Overigens resulteerde diezelfde belangenafweging (met toetsing aan zowel artikel 10 en 17 AVG) erin, dat tijdens de cassatieprocedure in kort geding de hele website zwartelijstartsen.nl uit de lucht is gehaald na een collectieve actie (ECLI:NL:RBMNE:2021:23.) De rechter liet daarbij zwaar meewegen, dat op de site niet alleen (recente) tuchtrechtelijke uitspraken staan, maar ook zware ongefundeerde beschuldigingen werden geuit.

Mocht de arts in de proceskosten worden veroordeeld?

Art 289 Rv bepaalt dat de verliezer van een procedure in de kosten kan worden veroordeeld. Het gaat dan vrijwel altijd om een beperkte, forfaitaire proceskostenveroordeling. De arts klaagde in cassatie dat dit afbreuk deed aan haar recht als klager onder de AVG.

De Hoge Raad verwerpt die klacht. Hoe proceskosten worden verdeeld, mag de Lidstaat in principe zelf bepalen. Die regels moeten wel voldoen aan “de beginselen van gelijkwaardigheid en doeltreffendheid”. Dat betekent dat zij het uitoefenen van EU-rechten niet onmogelijk of uiterst moeilijk mogen maken. Volgens de HR voldoet de Nederlandse regeling in het algemeen aan deze voorwaarden. Dat kan in een concreet geval anders zijn: de rechter moet dan een veroordeling in de kosten motiveren – maar dan moeten partijen daar wél stellingen over innemen. Dat had de arts in dit geval niet gedaan.

Auteur

Twee keer tussentijds beroep

Twee keer tussentijds beroep 1900 1267 Ekelmans Advocaten
Ekelmans Advocaten kantoor toga
Leestijd: 3 minuten
Lesedauer: 3 Minuten
Reading time: 3 minutes

De Hoge Raad heeft twee uitspraken gedaan over tussentijds beroep. In december bepaalde de Hoge Raad dat voortaan een nieuwe beroepstermijn begint te lopen als de rechter verlof geeft voor tussentijds beroep of cassatie. In januari voegde de Hoge Raad hieraan toe dat tegen de beslissing zélf om al dan niet verlof te geven voor tussentijds cassatieberoep, géén hogere voorziening openstaat, ook niet met een beroep op een doorbrekingsgrond.

Openstelling tussentijds hoger beroep bij tussenvonnis garandeert volledige beroepstermijn

HR 17 december 2021, ECLI:NL:HR:2021:1924

In zaak HR:2021:1924 heeft de rechtbank in een tussenvonnis overwogen (1) nog geen deskundige te benoemen én heeft (2) tussentijds hoger beroep opengesteld.

Volgens het hof, is er sprake van een appellabel vonnis vanwege beslissing (1). Een beslissing over alleen punt (2) is volgens het hof alleen maar een rolbeschikking, en levert geen appellabel vonnis op.

De Hoge Raad geeft nieuwe regels voor tussentijds hoger beroep:

  • De rechter kan na een tussenvonnis zolang geen eindvonnis is gewezen, verlof geven voor tussentijds hoger beroep. Dat kan de rechter op verzoek of ambtshalve doen, nadat hij partijen heeft gehoord. Deze beslissing is op zichzelf niet appellabel, maar staat in een nieuw tussenvonnis. Op de dag van dit vonnis waarbij tussentijds beroep is opengesteld, begint een nieuwe beroepstermijn te lopen. Dit is anders dan voorheen.
  • Het tussentijds hoger beroep kan worden ingesteld tegen alle eerdere vonnissen, behalve tegen niet-appellabele vonnissen, of een vonnis dat in een door de appellant eerder ingesteld hoger beroep had kunnen worden betrokken (de ‘een-keer-schieten regel’).
  • Met het instellen van het hoger beroep hoeft niet te worden gewacht totdat op een daartoe gedaan verzoek is beslist.
  • Deze regels gelden ook voor arresten en beschikkingen.

Er begint voortaan dus altijd een nieuwe beroepstermijn te lopen op de datum van de uitspraak, waarbij de rechter verlof geeft voor tussentijds hoger beroep of cassatie tegen een eerder ongunstig (materieel) vonnis. Dat betekent dat een partij na die eerdere ongunstige tussenuitspraak niet alvast onnodig kosten hoeft te maken door tussentijds hoger beroep of cassatieberoep in te stellen, terwijl later verlof wordt geweigerd.

Eén keer verlof gegeven, blijft gegeven

HR 28 januari 2022, ECLI:NL:HR:2022:83

In zaak HR:2022:83 geeft het hof in een verlofarrest toestemming aan Capgemini voor tussentijds cassatieberoep. Later wordt op de rol aangetekend dat op die datum géén arrest is gewezen. Het Hof schrijft partijen dat een foutje is gemaakt en vraagt hun het verlofarrest te vernietigen. Bij brief wordt vervolgens verlof geweigerd.

Capgemini heeft tóch tussentijds cassatie ingesteld.

De Hoge Raad acht Capgemini ontvankelijk: door het verlofarrest te wijzen en vervolgens op de rol te vermelden dat geen arrest is gewezen, is onduidelijkheid ontstaan. De rechtszekerheid eist dan dat ervan moet worden uitgegaan dat het verlof is verleend. Daarom kan het hof ook niet op zijn beslissing terugkomen.

Tegen de beslissing zélf om al dan niet verlof te geven voor tussentijds cassatieberoep staat géén hogere voorziening open, ook niet met een beroep op een doorbrekingsgrond.

Auteur

We gebruiken cookies om ervoor te zorgen dat onze website zo soepel mogelijk draait. Als je doorgaat met het gebruiken van de website, gaan we ervan uit dat je ermee instemt.