Kallenberg

Beursbengel: Uitspraken GFD over gestolen sieraden en mogelijke valsheid in geschriften

Beursbengel: Uitspraken GFD over gestolen sieraden en mogelijke valsheid in geschriften 665 509 Ekelmans Advocaten
Beursbengel vakblad verzekering
Leestijd: 4 minuten
Lesedauer: 4 Minuten
Reading time: 4 minutes
Expertise:

In Dossier Kifid van de Beursbengel 2021 / nr. 906 bespreekt Elieske Kallenberg twee uitspraken van de Geschillencommissie Financiële Dienstverlening : één uitspraak rond een kostbaarhedenverzekering en een rond de aanvraag van een hypothecaire lening.

Uitspraak Geschillencommissie Financiële Dienstverlening Nr. 2021-0289 d.d. 26 maart 2021

Diefstal bij verkoop sieraden

Consument heeft via Marktplaats sieraden te koop aangeboden. Tijdens een bezichtiging van de sieraden bij de Consument thuis hebben de aspirant-kopers de sieraden gestolen. Hoewel Consument een kostbaarhedenverzekering heeft afgesloten, weigert Verzekeraar dekking. Tussen partijen is in geschil of de Consument voldaan heeft aan de vereisten uit artikel 19 van de verzekeringsvoorwaarden, waarin is bepaald dat persoonlijke bezittingen niet zijn verzekerd wanneer een verzekerde niet goed op zijn spullen heeft gelet. Verzekeraar stelt zich op het standpunt dat de Consument onvoorzichtig is geweest en weigert dekking. De Consument is het daarmee oneens en vordert in deze procedure vergoeding van de diefstalschade.

Allereerst toetst de Commissie ambtshalve of artikel 19 van de verzekeringsvoorwaarden een oneerlijk beding is in de zin van richtlijn 93/13/ EEG. Daaraan gaat de vraag vooraf of het artikel een kernbeding inhoudt als bedoeld in artikel 4 lid 2 Richtlijn 93/13 en art. 6:231 BW, zodat het beding om die reden in beginsel zou zijn uitgezonderd van een beoordeling op oneerlijkheid. Uit de parlementaire geschiedenis en vaste rechtspraak omtrent dit punt volgt met betrekking tot verzekeringsovereenkomsten, dat bedingen ter bepaling van de omvang van de dekking als kernbeding moeten worden aangemerkt. Hieruit volgt echter niet dat alle bedingen die op enigerlei wijze van invloed zouden kunnen zijn op de omvang van de premie, als kernbeding moeten worden aangemerkt. Omdat het hier gaat om een beding met betrekking tot de gevolgen die verbonden zijn aan onzorgvuldig gedrag van de verzekerde, is het in zoverre geen beding dat het verzekerde risico en de verbintenis van de verzekeraar vooraf duidelijk omschrijft of afbakent. Daarnaast acht de Commissie artikel 19 niet onredelijk bezwarend in de zin van artikel 6:233 aanhef onder a BW. Met artikel 19 wordt weliswaar afgeweken van artikel 7:952 BW, maar dat artikel is van regelend recht. Het is een verzekeraar dan ook toegestaan om in de verzekeringsvoorwaarden af te wijken van artikel 7:952 BW, in die zin dat meer voorzichtigheid van de verzekerde wordt gevraagd. Bovendien past de open norm dat een verzekerde goed op zijn spullen moet hebben gelet, bij wat van een verzekerde mag worden verwacht in zijn relatie tot de verzekeraar, aldus de Commissie.

Omdat vast is komen te staan dat artikel 19 van de verzekeringsvoorwaarden van toepassing is, dient de Commissie te beoordelen of Verzekeraar op grond van dat artikel dekking mocht weigeren. De Commissie stelt voorop dat dit afhankelijk is van de omstandigheden van het geval. De Commissie oordeelt dat is komen vast te staan dat de sieraden van aanzienlijke waarde waren, dat de aspirantkopers twee onbekenden waren en dat de Consument en de aspirant-kopers zich in de tuin op enkele meters afstand van de poortdeur bevonden, die open stond. De Commissie is van oordeel dat hierdoor een reële kans op diefstal bestond, vanwege de waarde van de sieraden en de onbekendheid met de persoon en de intenties van de aspirant-kopers. Onder deze omstandigheden mocht daarom extra oplettendheid van de Consument worden verwacht. Alles in samenhang bezien, is de Commissie van oordeel dat de Consument niet goed op de sieraden heeft gelet en niet de ‘normale voorzichtigheid’ in acht heeft genomen. Volgens de Commissie heeft Verzekeraar daarom dekking mogen weigeren en wordt de vordering van de Consument afgewezen.

Uitspraak Geschillencommissie Financiële Dienstverlening Nr. 2021-0472 d.d. 21 mei 2021

Verkeerde voorstelling van zaken

In 2016 hebben de Consumenten voor de aankoop van een woning een hypothecaire geldlening aangevraagd bij Obvion. Volgens Obvion hebben de Consumenten bij deze aanvraag valsheid in geschrift gepleegd en gepoogd Obvion te misleiden door bewust een onjuiste voorstelling van de werkelijkheid te geven met als doel een hypothecair krediet te verkrijgen. Naar aanleiding van deze constatering, heeft Obvion bij de politie aangifte gedaan van valsheid in geschrifte en oplichting. Daarnaast heeft Obvion de persoonsgegevens van de Consumenten voor de duur van acht jaar geregistreerd in het door de Stichting Fraudebestrijding Hypotheken gehouden Extern Verwijzingsregister.

De Consumenten vorderen primair dat Obvion hun persoonsgegevens verwijdert uit het Extern Verwijzingsregister. Subsidiair vorderen zij dat Obvion de duur van de registratie verkort tot nihil. De Consumenten hebben betoogd dat de registratie onterecht is en dat de duur ervan disproportioneel is. Daartoe hebben zij onder andere aangevoerd dat zij weliswaar een verkeerde bijlage bij de hypotheekaanvraag hebben gevoegd, maar dat er geen opzet in het spel was. Daarnaast voeren de Consumenten aan dat Obvion het proportionaliteitsbeginsel heeft geschonden, als gevolg waarvan zij disproportioneel geraakt worden in hun belangen.

De Commissie oordeelt dat de klacht ter zake van de verwijdering van de registratie nietbehandelbaar is, omdat Consumenten niettijdig geklaagd hebben bij Kifi d. De subsidiaire klacht met betrekking tot de duur van de registratie is wel behandelbaar.

Voor de registratie geldt dat moet zijn voldaan aan de beginselen van proportionaliteit en subsidiariteit. Dit brengt mee dat de inbreuk op de belangen van de Consumenten niet onevenredig mag zijn in verhouding tot het met de verwerking te dienen doel, en dat dit doel in redelijkheid niet op een andere, voor de Consumenten minder nadelige wijze kan worden verwezenlijkt. In dit verband hebben de Consumenten voldoende aangevoerd dat zij zowel professioneel als privé bezien ernstig worden belemmerd door de registratie.

De Commissie is van oordeel dat bij de afweging van de wederzijdse belangen van partijen in dit geval het belang van de Consumenten dient te prevaleren. Vooropgesteld wordt door de Commissie dat het plegen van valsheid in geschrifte en poging tot oplichting ernstige vergrijpen zijn. Obvion mocht ervan uitgaan dat de informatie die de Consumenten bij Obvion hadden aangeleverd volledig en – in ieder geval – niet gemanipuleerd was. De belemmeringen voor de Consumenten op het professionele vlak en in de privésfeer leggen voor de Commissie echter een zodanig gewicht in de schaal dat een verkorting van de duur van de registratie tot zes jaren proportioneel geacht wordt. Voor dit oordeel was ook van belang dat de Consumenten weer enig perspectief kregen , ondanks de grove fout die zij hebben gemaakt.

Auteur

Beursbengel: Uitspraken GFD over Whatsapp-fraude en een doorgeslepen gasleiding

Beursbengel: Uitspraken GFD over Whatsapp-fraude en een doorgeslepen gasleiding 665 509 Ekelmans Advocaten
Beursbengel vakblad verzekering
Leestijd: 5 minuten
Lesedauer: 5 Minuten
Reading time: 5 minutes
Expertise:

In Dossier Kifid van de Beursbengel 2021 / nr. 902 bespreekt Elieske Kallenberg twee uitspraken van de Geschillencommissie Financiële Dienstverlening : één uitspraak rond Whatsapp-fraude en een rond een aansprakelijkheidsverzekering.

Uitspraak Geschillencommissie Financiële Dienstverlening Nr. 2021-0017, d.d. 8 januari 2021

WHATSAPP-FRAUDE

Consument houdt een betaalrekening aan bij de Bank. In oktober 2019 is Consument via Whats- App benaderd door iemand die zich voordeed als haar zoon. Op verzoek van die persoon heeft Consument die dag tussen 17.37 en 18.09 uur negen overboekingen van in totaal 9.523,62 euro gedaan naar twee bankrekeningen. Rond 18.45 uur kreeg Consument argwaan en heeft zij contact opgenomen met de Bank. Daar heeft zij een kwartier in de wacht gestaan, waarna de Bank haar bankrekening heeft geblokkeerd. Nadien bleek dat Consument was opgelicht door een onbekende derde. De Bank heeft de overgemaakte bedragen achteraf niet kunnen terughalen, omdat deze reeds van de bankrekeningen waren opgenomen. Consument houdt de Bank verantwoordelijk voor de door haar geleden schade. Consument stelt zich dienaangaande onder meer op het standpunt dat de Bank haar zorgplicht heeft geschonden, als gevolg waarvan de Bank haar schade dient te vergoeden. Ook stelt Consument dat de Bank een inconsistent coulancebeleid hanteert. Zodoende gaat het in deze zaak in de kern om de vraag of de Bank aansprakelijk is voor de schade die Consument heeft geleden als gevolg van de oplichting. De Commissie oordeelt dat voor dit oordeel relevant is dat de betalingen via internetbankieren hebben plaatsgevonden en dat Consument de betaalopdrachten zelf heeft gegeven. Daarnaast zijn geen codes afhandig gemaakt van Consument.

Uit artikel 7:529 lid 1 en 2 BW volgt dat de verliezen, die voortvloeien uit niet-toegestane betalingstransacties, voor rekening van de Bank komen, tenzij sprake is van fraude, opzettelijk handelen of grove nalatigheid aan de zijde van Consument. Van niet-toegestane betalingstransacties kan ingevolge artikel 7:522 BW echter pas gesproken worden als deze zijn uitgevoerd zonder instemming van de consument. Doordat de betalingen in dit geval niet buiten medeweten van Consument hebben plaatsgevonden en zij de betaalopdrachten zelf heeft gegeven, is artikel 7:529 BW dus niet van toepassing. Er is derhalve geen verplichting voor de Bank om de schade van Consument te vergoeden. Voor dit geschil is verder van belang dat Consument deze transacties bewust heeft geïnitieerd en geautoriseerd. Op grond van artikel 7:533 lid 4 BW is de Bank verplicht gevolg te geven aan een ten laste van een rekeninghouder gegeven betaalopdracht. Zodoende heeft de Bank opgetreden als betaaldienstverlener in de uitvoering van een betalingstransactie van de opdracht gevende rekeninghouder. In de rol van betaaldienstverlener kan de Bank in beginsel geen verwijt worden gemaakt voor het uitvoeren van de betalingstransacties zonder nadere monitoring. Volgens de Commissie rust ook geen verplichting tot een transactiemonitoring op de Bank. Ook de omstandigheid dat de Bank aan andere klanten uit coulance wel een vergoeding heeft geboden bij soortgelijke fraude, verplicht haar volgens de Commissie niet die coulance ook aan Consument te bieden. De vordering van Consument wordt dan ook afgewezen.

Uitspraak Geschillencommissie Financiële Dienstverlening Nr. 2020-1085, d.d. 22 december 2020

PER ONGELUK EXPRES EEN GASLEIDING DOORSLIJPEN: DEKKING OF NIET?

Consument heeft bij Verzekeraar een aansprakelijkheidsverzekering voor particulieren met dekking voor zijn gezin afgesloten. Op deze verzekering zijn algemene voorwaarden van toepassing. In december 2019 heeft de destijds 16-jarige zoon van Consument een buurman geholpen met klussen. De zoon heeft bij de buurman met een slijptol een gasleiding doorgeslepen, nadat de buurman hem had gevraagd om ‘alles’ in de ruimte op te ruimen. Liander heeft de gasleiding gerepareerd en de zoon aansprakelijk gesteld voor de reparatiekosten van 1.126,46 euro. Consument heeft bij Verzekeraar een claim op zijn verzekering ingediend. Verzekeraar heeft dekking afgewezen.

Kort samengevat, stelt Verzekeraar zich op het standpunt dat zij de schade niet hoeft te vergoeden omdat de schadelijdende partij, Liander, geen persoon is en dat de zoon opzettelijk heeft gehandeld. Artikel 2 van de voorwaarden bepaalt namelijk dat de verzekering uitsluitend de aansprakelijkheid van verzekerde dekt voor schade aan personen en zaken. Er is volgens Verzekeraar echter geen schade ontstaan aan zaken van de persoon, die door de zoon werd geholpen, maar aan zaken van derden. Daarom zou geen recht op dekking bestaan. Ook vanwege opzettelijk handelen van de zoon zou geen dekking bestaan onder de verzekeringspolis. Bij haar oordeel buigt de Commissie zich eerst over de vraag of de 16-jarige zoon door zijn handelen onrechtmatig gehandeld heeft in de zin van art. 6:162 BW. In dit geval heeft de zoon, bij het helpen van de buurman, een gasleiding weggeslepen die aan de meterkast vastzat. De Commissie is van oordeel dat de zoon inderdaad een onrechtmatige daad heeft gepleegd jegens Liander, door de gasleiding van Liander door te slijpen. Uit de stukken blijkt immers niet dat de buurman de zoon expliciet de opdracht heeft gegeven om de gasleiding door te slijpen. De Commissie gaat er daarom vanuit dat de zoon bij het wegslijpen van de gasleiding op eigen initiatief heeft gehandeld. Daarbij heeft de zoon nagelaten te controleren of de gasleiding veilig kon worden verwijderd. Het voorgaande brengt mee dat de zoon onrechtmatig heeft gehandeld, in die zin dat hij zich naar maatstaven van zorgvuldigheid van de betreffende gedraging had moeten onthouden. De onrechtmatige gedraging kan tevens aan Consument worden toegerekend, aldus de Commissie.

De omstandigheid dat de buurman eventueel ook aansprakelijk is voor de schade van Liander, omdat hij mogelijk onvolledige instructies heeft gegeven, doet niets af aan de wettelijke aansprakelijkheid van de zoon. Er kunnen immers meerdere partijen hoofdelijk aansprakelijk zijn voor een en dezelfde schade. Voor zover de Verzekeraar zich beroept op de opzetbepaling van de voorwaarden, geldt dat deze volgens de Commissie niet van toepassing is. Voor toepassing van de opzetclausule is namelijk uitgangspunt dat sprake moet zijn van een opzettelijke en in strijd met het recht gedraging van de verzekerde die objectief bezien gericht is op het doen ontstaan van letsel of zaakschade, en waarbij het in feite toegebrachte letsel of de zaakschade naar objectieve maatstaven als een te verwachten of normaal gevolg van de desbetreffende gedraging kan worden aangemerkt.

De Commissie is van oordeel dat de zoon niet opzettelijk en in strijd met het recht heeft gehandeld, omdat uit niets blijkt dat het zijn bedoeling was om met het doorslijpen van de gasleiding schade te veroorzaken. Dat het wel zijn bedoeling was de gasleiding door te slijpen, maakt niet dat de zoon ook de bedoeling had de schade te veroorzaken. Het beroep van Verzekeraar op de opzetclausule van de voorwaarden slaagt daarom niet.

De conclusie is zodoende dat de zoon aansprakelijk is voor de schade van Liander en dat Verzekeraar dekking moet verlenen. De klacht van Consument is derhalve gegrond en wordt toegewezen.

Auteur

Beursbengel: Uitspraken GFD over rechtsbijstandverzekering en een studentencreditcard

Beursbengel: Uitspraken GFD over rechtsbijstandverzekering en een studentencreditcard 665 509 Ekelmans Advocaten
Beursbengel vakblad verzekering
Leestijd: 4 minuten
Lesedauer: 4 Minuten
Reading time: 4 minutes
Expertise:

In Dossier Kifid van de Beursbengel 2020 / nr. 899 bespreekt Elieske Kallenberg twee uitspraken van de Geschillencommissie Financiële Dienstverlening : één uitspraak rond een rechtsbijstandverzekering en een uitspraak rond een studentencreditcard.

Uitspraak Geschillencommissie Financiële Dienstverlening Nr. 2020-706, 2 september 2020

DEKKING OF COULANCE?

Consument heeft bij Verzekeraar een rechtsbijstandverzekering voor particulieren afgesloten. Consument heeft in februari 2019 een beroep op zijn rechtsbijstandverzekering gedaan inzake een geschil met een GGZ-instelling.

Bij brief van 6 september 2019 heeft een juridisch specialist van Verzekeraar (hierna: de Juridisch Specialist) Consument meegedeeld dat uit zijn meldingen geen juridisch conflict kon worden vastgesteld. Daarnaast stelde de Juridisch Specialist dat het aannemelijk was dat het conflict van Consument al was ontstaan vóórdat de rechtsbijstandverzekering was afgesloten. Dientengevolge bestond geen dekking onder de verzekering en kon Consument geen aanspraak maken op rechtsbijstand.

Op 20 september 2019 heeft alsnog een gesprek plaatsgevonden tussen de Juridisch Specialist en Consument. In dit gesprek heeft de Juridisch Specialist Consument uit coulance aangeboden om mee te gaan naar de tuchtzitting van Consument. Maar, als gevolg van de tussen Consument en de Juridisch Specialist ontstane onmin voor de zitting, is de Juridisch Specialist uiteindelijk niet meegegaan naar de tuchtzitting.

Consument vordert van Verzekeraar een vergoeding van 201.593,76 euro, te vermeerderen met wettelijke rente. Deze vordering steunt, kort en zakelijk weergegeven, op de grondslag dat Verzekeraar jegens Consument zou zijn tekortgeschoten in de nakoming van de verplichtingen voortvloeiende uit de verzekering, door hem geen bijstand te verlenen in de procedure bij het tuchtcollege. Consument stelt dat sprake is van een gedekte gebeurtenis, nu de Juridisch Specialist de zaak in behandeling zou hebben genomen en tijdens het gesprek op 20 september 2019 dekking zou hebben toegezegd. Consument verwijt Verzekeraar tevens dat hij Consument aan zijn lot heeft overgelaten.

Aan de orde is derhalve de vraag of Verzekeraar in de nakoming van zijn verplichtingen uit hoofde van de rechtsbijstandverzekering is tekortgeschoten en, voor zover dit het geval is, gehouden is schade aan Consument te vergoeden. De Commissie oordeelt dat uit de stukken en overgelegde geluidsopname niet blijkt dat Verzekeraar daadwerkelijk dekking heeft verleend voor het gemelde geschil met de GGZ-instelling.

Dit neemt echter niet weg dat de Juridisch Specialist de toezegging heeft gedaan om de stukken te bestuderen en om Consument te vergezellen naar de zitting. Hoewel de Commissie zich voor kan stellen dat de Juridisch Specialist verrast was door de twee verhuisdozen gevuld met zes ordners aan stukken, heeft de Juridisch Specialist naar het oordeel van de Commissie onvoldoende professioneel gereageerd richting Consument. Ook als de Juridisch Specialist de zaak uit coulance heeft opgepakt, had hij zijn toezegging moeten nakomen. Naar het oordeel van de Commissie is Verzekeraar op dit punt jegens Consument verwijtbaar tekortgeschoten.

Dit betekent nog niet dat Verzekeraar het door Consument gevorderde schadebedrag moet vergoeden. Het bestaan van een causaal verband tussen het niet-verlenen van bijstand door de Juridisch Specialist en de door Consument gestelde schade van 201.593,76 euro is niet aangetoond. De vordering van Consument wordt dan ook afgewezen.

Uitspraak Geschillencommissie Financiële Dienstverlening Nr. 2020-755, 11 september 2020

EEN STUDENTENCREDITCARD

In 2018 heeft Consument een aanvraag ingediend bij de Bank voor een studentencreditcard. De aanvraag is door de Bank goedgekeurd. Op enig moment is gebleken dat het saldo op de gekoppelde studentenrekening niet toereikend was om het totale bedrag van de bestedingen met de studentencreditcard te voldoen. Als gevolg daarvan is op de studentenrekening van Consument een debetstand ontstaan van in totaal 1.508,39 euro.

Consument heeft zich er bij de Bank over beklaagd dat hem een studentencreditcard is verleend, terwijl hij daarvoor onvoldoende inkomen had. Consument stelt zich op het standpunt dat de Bank haar zorgplicht heeft geschonden en dat de Bank de studentencreditcard niet had mogen verstrekken. De Bank heeft Consument twee keer een tegoed van 1.000 euro gegeven, terwijl Consument dat niet kon betalen. De Bank heeft zich hierdoor volgens Consument niet gehouden aan de normen die gelden voor kredietverlening, zodat sprake is van overkreditering. Consument vordert een bedrag van 2.000 euro.

De Commissie dient te oordelen over de vraag of sprake is van overkreditering en of de Bank, in verband daarmee, tekort is geschoten in de naleving van haar zorgplicht. De Commissie stelt voorop dat algemeen wordt aangenomen dat op banken een zorgplicht rust die meebrengt dat zij dient te waken tegen overkreditering. De omvang van deze verplichting hangt af van de verleende financiële dienst en de omstandigheden van het geval. Bij de beoordeling van de vraag of de bank haar zorgplicht jegens Consument heeft geschonden, kan mede van belang zijn of de Bank zich heeft gehouden aan geldende regelgeving met betrekking tot overkreditering.

In artikel 4:34 van de Wet op het fi nancieel toezicht (Wft) is bepaald dat op de geldverstrekker de verplichting rust om overkreditering te voorkomen. Op grond van artikel 1:20 lid 1 sub e Wft is de Wft echter niet van toepassing op financiële diensten met betrekking tot krediet dat binnen drie maanden dient te worden afgelost en ter zake waarvan slechts onbetekenende kosten aan de consument in rekening worden gebracht.

Vaststaat dat het openstaande bedrag op de studentencreditcard maandelijks wordt afgeschreven van de daaraan gekoppelde studentenrekening. Er bestaat geen mogelijkheid om het openstaande bedrag binnen een termijn die langer is dan drie maanden, terug te betalen. Daarnaast overweegt de Commissie dat, voor de vaststelling of kosten al dan niet onbetekenend zijn, sprake moet zijn van kosten die Consument maakt in relatie tot het krediet. Niet is gebleken dat Consument kosten heeft gemaakt in relatie tot het krediet, zodat moet worden aangenomen dat slechts onbetekenende kosten bij Consument in rekening zijn gebracht. De Commissie is derhalve van oordeel dat sprake is van een uitzonderingssituatie, waardoor de Bank niet kan worden gehouden aan artikel 4:34 Wft.

Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, is de regelgeving bij overkreditering niet van toepassing op de overeenkomst tussen Consument en de Bank. Op de Bank rustte derhalve geen wettelijke verplichting om informatie in te winnen over de financiële positie van Consument. Er is dan ook geen sprake geweest van overkreditering. De vordering van Consument wordt afgewezen.

Auteur

Corona en de privacy van studenten bij digitale tentamens

Corona en de privacy van studenten bij digitale tentamens 1227 600 Ekelmans Advocaten
Privacy digitale tentamens
Leestijd: 4 minuten
Lesedauer: 4 Minuten
Reading time: 4 minutes
Expertise:

Als gevolg van de coronapandemie kiezen veel onderwijsinstellingen voor het online afnemen van tentamens. Hierbij wordt, onder meer ter voorkoming van fraude, veelal gebruik gemaakt van ‘online proctoring’.

Online proctoring is een tool om digitaal tentamens af te nemen, waarbij met behulp van controlesoftware op afstand kan worden gesurveilleerd. Er zijn meerdere vormen van online proctoring, waaronder: live proctoring, geautomatiseerde proctoring waarbij de software een deel van de detectie overneemt en proctoring waarbij het afgenomen examen op een later tijdstip wordt bekeken c.q. bestudeerd. Deze digitale controle op afstand brengt de nodige privacyrisico’s met zich mee. Er worden namelijk opnames gemaakt in het huis van de student, door middel van een webcam. Daarbij wordt het gedrag van studenten niet alleen geobserveerd tijdens het maken van de toets, maar worden beeldopnames tevens opgeslagen voor eventuele nadere bestudering na afloop. Dit technologische hulpmiddel draait dus grotendeels om het verzamelen en analyseren van (persoons)gegevens. Dientengevolge rijst de vraag hoe online proctoring zich verhoudt tot het recht op privacy en de AVG.

Recht op privacy: Online proctoring en het EVRM

Het recht op privacy is onder meer gewaarborgd in artikel 8 EVRM. Online proctoring staat op gespannen voet met het wetsartikel: het maken van opnames in de privéomgeving van een student is immers een evidente schending op het recht van privacy. Dit grondrecht is echter niet absoluut en de huidige omstandigheden kunnen een inbreuk op art. 8 EVRM rechtvaardigen. Onderwijsinstellingen moeten immers – ook in tijden van corona – de kwaliteit van het onderwijs waarborgen en dienen objectief te kunnen vaststellen of een student al dan niet voldoet aan de voorwaarden die de onderwijsinstelling stelt ten aanzien kennis, inzicht en vaardigheden.

Ingevolge artikel 8 EVRM dient hoe dan ook een fair balance te bestaan tussen de schending van privacy en het gerechtvaardigd belang. Die fair balance wordt getoetst aan de proportionaliteit- en de subsidiariteitstoets, waarbij de proportionaliteit in dit geval afhangt van de legitimiteit van het doel waarvoor een technologie wordt ingezet. Zodoende moet sprake zijn van een juiste balans van enerzijds de voordelen van online proctoring en anderzijds de inmenging in het privéleven van een student. Voorop staat dat niet verder mag worden ingegrepen in de privésfeer van studenten dan nodig is om het doel (authenticatie en voorkoming van fraude) te bereiken.

De UvA maakt sinds maart 2020 gebruik van online proctoring inclusief een ‘roomscan, eye tracking, sound recording en data-analyse’. Vrij ingrijpend (en stressverhogend), zou je zeggen. Met het oog op de subsidiariteit rijst dan ook de vraag of wellicht minder vergaande alternatieven voorhanden zijn om hetzelfde doel te bereiken. Zo wordt in de literatuur gewezen op de mogelijkheid om uitsluitend momentopnamen te maken en/of slechts “geblurde” beelden op te nemen.

Recht op privacy: Online proctoring en de AVG

Ook de AVG roept vragen op omtrent de rechtmatigheid van online proctoring. Een onderwijsinstelling is op grond van de AVG verantwoordelijk voor de verwerking van gegevens door het online proctoring systeem. Daarbij moet worden gedacht aan het versleutelen van data, de verwerking van persoonsgegevens binnen de EU en het werken met beveiligingsmechanismes zoals autorisatie en encryptie om te voorkomen dat medewerkers of derden ongeautoriseerd toegang krijgen tot de data.

Studenten van de UvA spanden eerder dit jaar een kort geding aan tegen de UvA vanwege het gebruik van online proctoring. Rechtbank Amsterdam concludeerde echter dat de gegevensverwerking door de UvA voldeed aan de door de AVG gestelde zorgvuldigheidseisen en derhalve is toegestaan (ECLI:NL:RBAMS:2020:2917). De publieke taak van onderwijsinstellingen is volgens de rechtbank te herleiden naar haar wettelijke taak om onderwijs te verzorgen, examens af te nemen en diploma’s te verstrekken, waarbij de kwaliteit van dat onderwijs en van de te verstrekken diploma’s is gewaarborgd. Bij online proctoring is derhalve sprake van een noodzakelijke gegevensverwerking in de zin van artikel 6 lid 1 sub e AVG. De gegevensverwerking moet wel voldoen aan de overige vereisten van de AVG, zoals de basisbeginselen genoemd in art. 5 AVG. “Zo dient de verwerking te voldoen aan de beginselen van rechtmatigheid, behoorlijkheid en juistheid en aan het doelbindingsprincipe. Ook dient de verwerking op grond van artikel 5 lid 1 sub c AVG toereikend, ter zake dienend en beperkt te zijn tot wat noodzakelijk is voor de doeleinden waarvoor de gegevens worden verwerkt. Ook dient de opslag van gegevens beperkt te blijven en dient de beveiliging gewaarborgd te worden.”

Overigens is nog interessant dat de Rechtbank eveneens oordeelde dat, hoewel ook beelden van het gezicht worden gemaakt, van verwerking van bijzondere persoonsgegevens uit hoofde van art. 9 AVG geen sprake is. Relevant voor de uitkomst in deze zaak is dat echter niet, omdat het gebruik van die gegevens ter identificatie op grond van art. 25 UAVG is toegestaan.

Transparantie en experimenteren met minder ingrijpende proctoring

Zolang het coronavirus onder ons is, behoort het grootschalig afnemen van tentamens op locatie niet tot de mogelijkheden. Online proctoring kan daarbij een oplossing bieden. Het recht op privacy van de student wordt met dit middel echter evident geschonden, waardoor het middel uitsluitend dient te worden ingezet voor toetsen waarbij geen andere toetsvorm mogelijk is. Daarnaast dienen de gegevens alleen verwerkt te worden ter authenticatie en om frauduleus gedrag vast te stellen. Tot slot is het van groot belang om studenten van een goede voorlichting te voorzien. Transparantie over wat er gebeurt met de verzamelde data, toelichting op de noodzaak van online proctoring en nadruk op het belang van kwalitatief onderwijs zou kunnen leiden tot een groter draagvlak onder studenten. Daarnaast kunnen (en moeten!) onderwijsinstellingen experimenteren met minder ingrijpende proctoring, teneinde een fair balance te waarborgen. Daarbij kan gedacht worden aan het uitsluitend maken van momentopnamen en/of het “blurren” van de privéomgeving van de student. Het zou, hoe dan ook, nooit zover mogen komen dat studenten in deze coronatijd moeten kiezen tussen privacy en studievoortgang.

Wilt u meer weten over dit onderwerp? Neem dan contact op met onze Privacy Desk.

Auteur

Beursbengel: Uitspraken GFD over een woonverzekering en een opstalverzekering

Beursbengel: Uitspraken GFD over een woonverzekering en een opstalverzekering 665 509 Ekelmans Advocaten
Beursbengel vakblad verzekering
Leestijd: 4 minuten
Lesedauer: 4 Minuten
Reading time: 4 minutes
Expertise:

In Dossier Kifid van de Beursbengel 2020 / nr. 896 bespreekt Elieske Kallenberg twee uitspraken van de Geschillencommissie Financiële Dienstverlening: één uitspraak rond de voorwaarden bij een woonverzekering en een uitspraak over een opstalverzekering.

Uitspraak Geschillencommissie Financiële Dienstverlening  Nr. 2020-400, d.d. 6 mei 2020

‘SPONTAAN’

Consument heeft bij Verzekeraar een Particuliere Woonverzekering Allrisk (hierna: de Verzekering) afgesloten. Op de Verzekering zijn de Voorwaarden Woonverzekering (hierna: de Voorwaarden) van toepassing.

De glazen schuifdeur die voor de open haard van Consument staat, breekt nadat Consument de schuifdeur naar beneden heeft geschoven. Consument dient een schadeformulier in bij Verzekeraar en neemt tevens telefonisch contact op met Verzekeraar, zodat hij de situatie kan verduidelijken. Tijdens het telefoongesprek is door Consument het woord ‘spontaan’ gebruikt. De medewerker van Verzekeraar heeft daarop laten weten dat doordat het glas spontaan is gebroken er geen dekking bestaat uit hoofde van de Verzekering. Consument heeft zowel in het telefoongesprek als later op het kantoor van Verzekeraar geprobeerd uit te leggen dat hij niet had bedoeld te zeggen dat het glas ‘spontaan’ is gebroken.

Consument heeft een verklaring van de firma die de nieuwe ruit is komen zetten. De expert van deze firma heeft verklaard dat de desbetreffende ruit – die al zoveel jaren wordt gebruikt – niet zomaar kan breken. De glasschade zou volgens de expert zijn ontstaan door een obstructie in de sponning of doordat een blok hout tegen het glas is gevallen. Consument beroept zich daarom op artikel 2.12 van de Voorwaarden en stelt dat de ruitbreuk wel degelijk verzekerd is.

Verzekeraar stelt dat de schade niet onder artikel 2.12 van de Voorwaarden valt, omdat er geen sprake is van een ruit die licht door laat. Daarom moet volgens Verzekeraar naar artikel 2.19 van de Voorwaarden gekeken worden. Op grond van dat artikel moet sprake zijn van ‘een van buitenaf komende schade door een gebeurtenis’. Daarvan is hier volgens de Verzekeraar geen sprake, waardoor de schade niet gedekt wordt onder de Verzekering.

De Commissie oordeelt als volgt. De Commissie is het met Verzekeraar eens dat de ruitschade niet onder artikel 2.12 van de Voorwaarden valt, omdat de desbetreffende ruit niet is bedoeld om licht door te laten, maar om opspattende vonken tegen te houden. Daarnaast valt de schade enkel onder artikel 2.19 van de Voorwaarden als sprake is van ‘een van buitenaf komende schade, door een gebeurtenis’. Van een gebeurtenis is sprake als het gaat om een ‘plotseling en onvoorzien (onverwacht) voorval’.

Zoals gezegd heeft Consument een verklaring van de firma overgelegd, die een houtblok of obstructie in de sponning aanwijst als mogelijke oorzaak van de schade. Verzekeraar brengt tegen deze verklaring alléén in dat de Consument deze twee mogelijke oorzaken niet heeft waargenomen. Verzekeraar betwist de verklaring zelf niet.

De Commissie oordeelt dat, omdat de verklaring van de firma niet wordt betwist, de verklaring als vaststaand feit gezien moet worden. Uit de Voorwaarden blijkt ook niet dat de gebeurtenis daadwerkelijk door Consument zelf moet worden waargenomen. Dat Consument tijdens het telefoongesprek met een medewerker van Verzekeraar het woord ‘spontaan’ zou hebben gebruikt, doet aan de verklaring van de firma niet af. Uit die verklaring volgt dat er sprake is van een gedekte gebeurtenis, nu de door de firma genoemde mogelijkheden gekwalificeerd worden als een gebeurtenis in de zin van de Voorwaarden en er sprake is van ‘van buitenaf komende schade’. De Commissie wijst de vordering dan ook toe en concludeert dat de Verzekeraar de schadeclaim van Consument niet heeft mogen afwijzen.

Uitspraak Geschillencommissie Financiële Dienstverlening Nr. 2020-444, d.d. 22 mei 2020

EXTRA KOSTEN WATER BIJ LEKKAGE

Consument heeft een verzekeringspakket bij Verzekeraar, waaronder een opstalverzekering Extra Uitgebreid (hierna: Verzekering). Op de Verzekering zijn algemene voorwaarden van toepassing.

Consument ontdekt in april 2017 een lekkage in de waterleiding. De lekkage bevindt zich in de waterput buiten het woonhuis. Consument heeft de lekkage direct laten herstellen door een loodgieter. Bij de eindafrekening van het waterbedrijf in augustus 2017 blijkt dat door de lekkage een grote hoeveelheid water verloren is gegaan. Consument claimt de extra kosten voor het water op zijn Verzekering.

Verzekeraar heeft dekking geweigerd. Volgens Verzekeraar is er namelijk geen sprake van een gevolgschade, maar van een economische schade. De Verzekeraar stelt zich daarnaast op het standpunt dat de Verzekering alleen dekking biedt voor materiële schade aan het woonhuis en niet buiten het woonhuis.

Consument vordert de kosten voor het verlies aan water van 3.574,42 euro én vergoeding van de door Consument gemaakte kosten afgerond op 3.000,00 euro, bestaande uit inkomstenderving, advocaatkosten en reiskosten van de advocaat. Consument stelt dat hij deze kosten heeft moeten maken als gevolg van de gebrekkige communicatie en verwarrende handelwijze van Verzekeraar.

De Commissie moet beoordelen of de Verzekeraar zich op het standpunt mag stellen dat er geen dekking bestaat onder de Verzekering. Daarnaast dient zij zich te buigen over de vraag of de gebrekkige en/of verwarrende communicatie van Verzekeraar leidt tot schadevergoeding.

In de eerste plaats moet worden beoordeeld of de schade is ontstaan door een gebeurtenis waartegen de Verzekering binnen de daartoe gestelde grenzen dekking biedt. In de algemene voorwaarden is als basis opgenomen: ’met uw opstalverzekering bent u verzekerd voor materiële schade aan uw woonhuis.’

De gevorderde schade bestaat uit kosten van het verlies van water, ontstaan door een lekkage aan de waterleiding buiten het woonhuis. Hoewel deze kosten een direct gevolg zijn van de lekkage aan de waterleiding, zijn ze naar het oordeel van de Commissie niet definieerbaar als schade ‘aan het woonhuis’ en vallen ze daarmee niet binnen de grenzen van de gedekte gevolgschade van de Verzekering.

Ten aanzien van de overige gemaakte kosten van Consument oordeelt de Commissie als volgt. Hoewel de Commissie op grond van de overgelegde correspondentie meent dat de communicatie van de Verzekeraar ‘beter had gekund’ en de Commissie het ongenoegen van Consument hierover begrijpt, is dit volgens de Commissie onvoldoende om in juridische zin van een tekortkoming te kunnen spreken. D aarbij is tevens van belang dat de Verzekeraar consistent was in de grondslag van de afwijzing. De Commissie wijst de vordering af.

Auteur

Beursbengel: Uitspraken GFD over een betalingstransactie en een aansprakelijkheidsverzekering

Beursbengel: Uitspraken GFD over een betalingstransactie en een aansprakelijkheidsverzekering 665 509 Ekelmans Advocaten
Beursbengel vakblad verzekering
Leestijd: 5 minuten
Lesedauer: 5 Minuten
Reading time: 5 minutes
Expertise:

In Dossier Kifid van de Beursbengel 2020 / nr. 893 bespreekt Elieske Kallenberg twee uitspraken van de Geschillencommissie Financiële Dienstverlening: één uitspraak rond een betalingstransactie in Polen en een uitspraak rond een aansprakelijkheidsverzekering.

Uitspraak Geschillencommissie Financiële Dienstverlening Nr. 2020-089, 31 januari 2020

DE BETWISTE BETALINGSTRANSACTIE IN POLEN

Consument heeft een betaalrekening bij de Bank. Daaraan is een betaalpas met een daarbij behorende pincode gekoppeld. Op de overeenkomst tussen Consument en de Bank is onder meer het Reglement Privérekeningen (hierna: Reglement) van toepassing.

Met de betaalpas van Consument is een betaling van 631,65 euro (hierna: de Betwiste Betalingstransactie) verricht in een nachtclub in Polen. Op 13 augustus 2019 heeft Consument bij de politie aangifte gedaan van oplichting en fraude met zijn betaalpas in de nacht van 17 op 18 juli 2019. Bij de Betwiste Betalingstransactie is direct de juiste pincode behorende bij de Betaalpas ingetoetst.

Consument stelt dat de Bank op grond van artikel 7:528 lid 1 BW aansprakelijk is voor het bedrag van de Betwiste Betalingstransactie, omdat Consument geen toestemming heeft gegeven voor de transactie en er geen tegenprestatie voor is geleverd. Bij gebreke van instemming van de betaler (i.c. Consument) wordt een betalingstransactie volgens artikel 7:522 lid 2 BW als ‘niet toegestaan’ aangemerkt. Consument stelt zich op het standpunt dat het gaat om een niettoegestane betalingstransactie en vordert dat de Bank wordt veroordeeld om 631,65 euro aan Consument te betalen.

De Commissie overweegt als volgt: Artikel 7:527 lid 1 BW bepaalt dat indien een betaaldienstgebruiker (Consument) ontkent dat hij met een uitgevoerde betalingstransactie heeft ingestemd, zijn betaaldienstverlener (de Bank) gehouden is het bewijs te leveren dat de betalingstransactie is geauthentiseerd, juist is geregistreerd en geboekt en niet door een technische storing of enig ander falen van de door de betaaldienstverlener aangeboden diensten is beïnvloed. De Bank heeft daartoe onweersproken gesteld dat geen sprake is geweest van een storing of van technische problemen. Daarbij draagt de Consument volgens artikel 7:529 lid 1 BW alle verliezen die uit niet-toegestane betalingstransacties voortvloeien, indien deze zich hebben voorgedaan doordat hij frauduleus heeft gehandeld of opzettelijk of met grove nalatigheid één of meer verplichtingen uit hoofde van artikel 7:524 BW niet is nagekomen.

De Commissie moet derhalve beoordelen of Consument ‘grof nalatig’ is geweest. Hoewel het in beginsel aan de Bank is om te bewijzen dat sprake is van grove nalatigheid aan de zijde van Consument, rust op Consument een verzwaarde stelplicht (zie Geschillencommissie Kifid 2019- 308 en Geschillencommissie Kifid 2019-733). Dat betekent dat Consument tenminste enig inzicht dient te geven in de wijze waarop de Betaalpas en pincode in onbevoegde handen zouden kunnen zijn geraakt, zodat de Bank zich daarover een beeld kan vormen. Consument kan hieromtrent niet volstaan door te stellen dat hij dat niet weet, maar zal in dat geval ook moeten onderbouwen waarom hij die informatie niet kan geven.

De Commissie gaat uit van de volgende feiten:

  • dat de Betwiste Betalingstransactie is geauthentiseerd;
  • dat door de Bank onweersproken is gesteld dat er geen sprake is geweest van een storing of technische problemen en dit ook niet uit de overgelegde stukken kan worden afgeleid;
  • dat Consument geen verifieerbare verklaring heeft gegeven over hoe derden aan zijn pincode hebben kunnen komen;
  • dat door Consument niet is aangetoond dat hij is gedrogeerd dan wel tegen zijn wil de betaling heeft verricht, dan wel de Betaalpas uit zijn bezit is geweest.

Op basis hiervan kan de Commissie – ervan uitgaande dat de transacties door een derde zijn verricht – niet anders concluderen dan dat Consument onvoldoende zorgvuldigheid heeft betracht, waardoor een derde in de gelegenheid is geweest om zich de Betaalpas en de pincode van Consument eigen te maken. Daarom moet worden aangenomen dat Consument één of meer verplichtingen voor het veilige gebruik van de Betaalpas (artikel 5 van het Reglement) niet is nagekomen en derhalve, in de betekenis die blijkens eerder gedane uitspraken de wet daaraan geeft, ‘grof nalatig’ is geweest. De Commissie wijst de vordering van Consument daarom af.

Uitspraak Geschillencommissie Financiële Dienstverlening Nr. 2020-072 d.d. 24 januari 2020

VRIJWILLIGER BIJ OPTUIGEN KERSTBOOM

Consument heeft een aansprakelijkheidsverzekering bij Verzekeraar gesloten. Op deze verzekering zijn de voorwaarden ‘ AV-022-182’ en ‘ AVP-RV-50-16T’ van toepassing (hierna: de Voorwaarden).

Consument heeft een beroep gedaan op zijn aansprakelijkheidsverzekering, omdat hij als vrijwilliger bij de kerk tijdens het optuigen van de kerstboom de avondmaalsbeker heeft omgestoten. De avondmaalsbeker is als gevolg hiervan op de grond gevallen met schade als gevolg. Consument heeft de schade gemeld bij zijn aansprakelijkheidsverzekeraar. De Verzekeraar heeft dekking onder de Verzekering afgewezen. Consument vordert dat Verzekeraar alsnog overgaat tot vergoeding van de door hem veroorzaakte schade aan de avondmaalsbeker. Het schadebedrag ligt tussen de 1.000 en 3.500 euro.

Ter onderbouwing van zijn vordering voert Consument aan dat er op grond van artikel 10 van de Voorwaarden dekking is voor de schade aan de avondmaalbeker. In de eerste zin van artikel 10 valt te lezen dat ‘schade aan zaken van een ander’ is gedekt onder de verzekering, waarbij er geen voorbehoud wordt gemaakt voor wat betreft vrijwilligerswerk.

Verzekeraar stelt dat nu de schade is ontstaan terwijl Consument werkzaamheden uitvoerde voor de kerk, de schade niet voor vergoeding in aanmerking komt. Daarnaast komen alleen gedragingen die te kwalificeren zijn als een onrechtmatige daad in de zin van artikel 6:162 BW op grond van artikel 10 van de Voorwaarden voor vergoeding in aanmerking. Verzekeraar meent dat de gedraging van Consument niet onrechtmatig is. Het omstoten van de avondmaalsbeker tijdens het opzetten van de kerstboom is geen onrechtmatige gedraging, maar een ongelukkige samenloop van omstandigheden.

De Commissie overweegt als volgt: in artikel 10 van de Voorwaarden staat dat Verzekeraar alleen schade vergoedt wanneer de verzekerde op grond van de wet aansprakelijk is. Daarbij is opgemerkt dat een gedraging niet onrechtmatig is, enkel omdat met de gedraging schade is veroorzaakt. Een gedraging is pas onrechtmatig wanneer de mate van waarschijnlijkheid van schade zo groot is, dat de dader zich naar maatstaven van zorgvuldigheid van de gedraging had moeten onthouden.

In dit geval is Consument tijdens het optuigen van de kerstboom tegen de beker aangestoten waardoor deze ten val is gekomen. Volgens de Commissie is van onrechtmatig handelen van Consument in dit geval geen sprake, omdat het voorval is gebeurd terwijl Consument eigenlijk met iets anders bezig was. Bij die gedraging, het optuigen van de kerstboom, heeft Consument geen regels overtreden. Bovendien is uit de stukken ook niet gebleken dat Consument expliciet is gewaarschuwd dat de avondmaalbeker vlak achter hem stond en hij extra voorzichtig had moeten zijn. De Commissie oordeelt derhalve dat de Verzekeraar geen dekking hoeft te verlenen voor de schade aan de avondmaalsbeker, aangezien geen sprake is van een onrechtmatige gedraging. Er is slechts sprake van een ongelukkige samenloop van omstandigheden, waarbij Consument bij het opzetten van de kerstboom per ongeluk de beker heeft omgestoten. De Commissie acht in dit kader ook van belang dat Consument bezig was met werkzaamheden als vrijwilliger.

Nu de schade niet onder de Verzekering is gedekt, hoeft de Commissie niet in te gaan op het beroep van de Verzekeraar op de dekkingsuitsluiting. De klacht wordt dan ook afgewezen.

Auteur

Unclear clauses in a bourse policy

Unclear clauses in a bourse policy 150 150 Ekelmans Advocaten
Leestijd: 3 minuten
Lesedauer: 3 Minuten
Reading time: 3 minutes

This article will discuss in which way an unclear clause in a bourse policy, concluded on the Dutch insurance bourse on the basis of co-insurance, should legally be determined. This is relevant because the insurer and the policyholder at the bourse usually do not discuss the policy wording, but rather use a wording that is often used at the bourse.

This topic is recently discussed in an opinion of the Procurator-General of the Dutch Supreme Court in a case in which Ekelmans represented the insurers in the Supreme Court trial.

Bourse policies

In the Netherlands, insurance is taken out either directly from an insurance company (on the basis of a company policy) or with the help of a broker through the Dutch insurance bourse (on the basis of a so called bourse policy). These different insurance products follow different rules whenever there is a dispute concerning the meaning of the policy wording at hand. Bourse policies are mainly taken out for grave and complex risks when coverage is not provided by just one insurer, but by multiple insurers. In the Netherlands this is often called co-insurance. An example might be the insurance of a big ship.

Usually, a professional bourse broker assists the future policyholder. Therefore, the policy between the insured and the insurer is mainly formed through negotiations between the insurer and the intermediary bourse broker. In co-insurance, the policyholder concludes an individual agreement with each participating insurer, always for the percentage the concerning insurer has accepted the risk for.

Thus, the professional bourse broker, acting as an intermediary on behalf of the aspiring-policyholder, offers the insurable risk(s) to the bourse insurer. A distinctive feature of a bourse policy is that the policy is concluded within a circuit of professional bourse brokers and insurers and that the policy wording is concluded through negotiations between these professional bourse brokers and insurers.

Explanation of an unclear clause

Within this framework, it is important to understand how an unclear wording should be interpreted in the event of a conflict.

In the case Chubb/Dagenstead (2008) The Dutch Supreme Court ruled that for the interpretation of a policy wording concluded on the insurance bourse, the focus should particularly be on the phrasing of the clauses and related comments, in light of the policy wording as a whole.

Recently, Ekelmans has assisted insurers at the Dutch Supreme Court in such a dispute with the insured. The case concerned a policy wording that was concluded on the insurance bourse on the basis of co-insurance. The Procurator-General of the Dutch Supreme Court argued that – besides the phrasing of a clause – judges should specifically take note of:

  • the meaning of the used term(s) in common speech;
  • the meaning of the used term(s) in a specific setting, for example the meaning of the term(s) within the insurance bourse circles;
  • the purpose of the specific clause and the nature of the insurance;
  • the ‘plausibility of the legal consequences to which various text interpretations could lead’ in case the phrasing of the clause offers (too) little grip for the case.

Knowledge of the bourse broker

Furthermore, the (assumed) knowledge of the bourse broker who represented the insured can also affect the interpretation of the wording . The legal allocation of the (assumed) knowledge of the bourse broker regarding the meaning of the product or the clause to the insured is not only based on the fact that a bourse broker (as a representative of the policyholder) concludes the insurance agreement on behalf of the policyholder, but also on the fact that the policy conditions are (mainly) the outcome of negotiations within bourse circles. This implies that the (assumed) knowledge of the bourse broker on the matter at hand can be hold against the policyholder whenever interpretation of an unclear wording needs to be established in a Dutch court of law.

Bron: Insurance Law Global

Auteur

Aktuelles

Beursbengel: Uitspraken GFD over algemene voorwaarden en twee tuinvazen

Beursbengel: Uitspraken GFD over algemene voorwaarden en twee tuinvazen 665 509 Ekelmans Advocaten
Beursbengel vakblad verzekering
Leestijd: 4 minuten
Lesedauer: 4 Minuten
Reading time: 4 minutes
Expertise:

In Dossier Kifid van de Beursbengel 2019 / nr. 890 bespreekt Elieske Kallenberg twee uitspraken van de Geschillencommissie Financiële Dienstverlening: één rond de algemene voorwaarden op een polisblad en een rond het vraagstuk of 2 vazen een esthetische eenheid vormen.

Uitspraak Geschillencommissie Financiële Dienstverlening Nr. 2019-763, 2 oktober 2019

ESTHETISCHE EENHEID

Op 11 januari 2018 is door toedoen van een derde schade ontstaan aan één van twee identieke tuinvazen met buxus-decoratie van Consument. De vaas is onherstelbaar beschadigd en dient te worden vervangen.

Gevolmachtigde heeft de (rest)waarde van de beschadigde tuinvaas uitgekeerd om Consument terug te brengen in de vermogenssituatie waarin hij verkeerde vóór de schadeveroorzakende gebeurtenis. Consument stelt daarmee echter niet geheel teruggebracht te zijn in de toestand, zoals die zou zijn geweest, indien de schadeveroorzakende gebeurtenis niet zou hebben plaatsgevonden. Consument meent dat Gevolmachtigde niet enkel de beschadigde tuinvaas dient te vergoeden, maar ook de onbeschadigde vaas. De twee tuinvazen vormen namelijk als set een esthetische eenheid. Vervanging van één van de vazen zou volgens de Consument leiden tot kleurverschil. Consument vorderde daarom dat Gevolmachtigde overgaat tot vergoeding van zowel de beschadigde als van de onbeschadigde tweede vaas, 1.870 euro per stuk.

Consument legt hieraan ten grondslag dat Gevolmachtigde gehouden is beide tuinvazen te vergoeden, zodat hij in de toestand wordt gebracht waarin hij vóór de schadeveroorzakende gebeurtenis verkeerde (artikel 6:109 lid 1 BW). Consument heeft gesteld dat vervanging van één vaas zal leiden tot een kleurverschil, omdat de oude en de nieuwe vaas niet gelijktijdig zullen verkleuren. Gevolmachtigde stelt dat geen sprake is van een functionele eenheid en dat de nieuwe tuinvaas na verloop van tijd ook zal verkleuren.

Vaststaat dat de wederpartij schade heeft veroorzaakt aan één van de twee tuinvazen van Consument. Nu Gevolmachtigde zich heeft beroepen op de uitsluiting van de dekking voor de onbeschadigde tuinvaas, is het aan hem om aan te tonen dat vergoeding hiervan niet binnen de dekking valt. De Commissie is van oordeel dat Gevolmachtigde onvoldoende gemotiveerd de stelling van Consument heeft betwist.

De stelling dat de nieuwe tuinvaas zal verkleuren, waarmee het kleurverschil wordt opgeheven, is niet nader onderbouwd door Gevolmachtigde. De Commissie stelt daarenboven dat uit de overgelegde foto’s van Consument duidelijk het kleurverschil tussen de vazen blijkt. Daarnaast gaat Gevolmachtigde eraan voorbij dat de twee tuinvazen als set dienen en daarom niet los van elkaar gezien kunnen worden.

De Commissie oordeelt dat is komen vast te staan dat vervanging van één van de twee vazen zal leiden tot het verbreken van deze esthetische eenheid. Daarnaast is niet gesteld of gebleken dat Consument op basis van de geldende voorwaarden uitsluitend aanspraak kan maken op vergoeding van het herstel van het direct beschadigd onderdeel. De Commissie oordeelt derhalve dat de vordering van Consument wordt toegewezen en Gevolmachtigde ook de niet-beschadigde vaas met buxus-decoratie moet vergoeden.

Uitspraak Geschillencommissie Financiële Dienstverlening Nr. 2019-739, 30 september 2019

ALGEMENE VOORWAARDEN VIA POLISBLAD?

Consument heeft bij een motorwinkel een motorfiets gekocht en in die motorwinkel via Gevolmachtigde van verzekeraar een Verzekering voor zijn motorfiets afgesloten, die onder meer dekking biedt voor het diefstalrisico. In artikel 15 lid 2 van de Voorwaarden Motorverzekering, is één van de stallingseisen voor de motor gesteld:
‘2. De motor met het ART categorie 4 of 5 goedgekeurd motorslot, dient (indien mogelijk) ook met de vaste wereld (aard- of nagelvast) bevestigd te zijn of binnen te worden gestald.’

Bij prolongatie van de verzekering na het eerste verzekeringsjaar, zijn de stallingseisen vermeld in een clausule op het polisblad, in plaats van in de voorwaarden van de Verzekering. Gevolmachtigde heeft de brief met het nieuwe polisblad naar het oude adres van Consument toegestuurd, aangezien Consument was verhuisd en zijn nieuwe adres niet aan Gevolmachtigde had doorgegeven.

De motorfiets van Consument wordt in de nacht van 2 op 3 augustus 2018 gestolen. De schade van consument bedraagt 4.000 euro. Gevolmachtigde heeft vergoeding van de diefstalschade geweigerd, omdat Consument niet had voldaan aan de stallingseisen, door de motor bij het stallen niet te bevestigen met de vaste wereld.

Gevolmachtigde heeft niet aangetoond dat de Voorwaarden Motorverzekering vóór of bij het sluiten van de verzekering aan Consument ter hand zijn gesteld. De stelling dat Gevolmachtigde de voorwaarden altijd bij de e-mail met het aanvraagformulier meestuurde, is gezien de betwisting van de ontvangst door consument, onvoldoende. Evenmin is voldoende dat op het aanvraagformulier staat: ‘Door ondertekening verklaar je dat deze verzekering volgens het premietarief en volgens onze voorwaarden wenst aan te gaan.’

Het citaat ziet op de toepassing van ‘onze voorwaarden’ op de verzekering, maar dit zegt niets over welke voorwaarden dat zijn en dit zegt ook niet dat de Voorwaarden Motorverzekering tijdig ter hand zijn gesteld.

Gevolmachtigde heeft de gelding van de stallingseisen ook gebaseerd op het polisblad dat hij ter gelegenheid van de prolongatie aan Consument heeft verstrekt. In zijn brief aan Consument van 17 juli 2018 staat: ‘De stallings- en beveiligingseisen welke u gewend bent blijven van toepassing en vindt u terug op de achterzijde van het bijgevoegde polisblad.’

Dat Consument die brief niet heeft ontvangen, komt voor zijn rekening, omdat hij heeft nagelaten Gevolmachtigde van zijn verhuizing op de hoogte te brengen. Op grond van het bepaalde in artikel 7:933 lid 1 BW mocht Gevolmachtigde bij de verzending van de brief uitgaan van de laatste aan hem bekende woonplaats.

Desalniettemin leidt de brief van 17 juli 2018 met het polisblad en de daarop vermelde clausule met de stallingseisen er niet toe dat de stallingseisen op de Verzekering van toepassing zijn. De stallingseisen konden niet van toepassing blijven, omdat die voordien van toepassing waren. De toezending van het polisblad waarop de clausule met de stallingseisen is vermeld, brengt niet mee dat Consument deze clausule heeft aanvaard. Uit het stilzwijgen van Consument naar aanleiding daarvan mocht Gevolmachtigde evenmin afl eiden dat Consument instemde met de toepasselijkheid van de clausule.

De vraag of Consument heeft voldaan aan de stallingseisen hoeft de Commissie dus niet te beantwoorden omdat de stallingseisen niet van toepassing zijn. In het verlengde daarvan kan Gevolmachtigde dekking van de diefstalschade ook niet weigeren met een beroep op de stallingseisen. De klacht van Consument is dus gegrond en zijn vordering zal worden toegewezen.

Auteur

Nieuwe advocaat: Elieske Kallenberg

Nieuwe advocaat: Elieske Kallenberg 1400 1082 Ekelmans Advocaten
Elieske Kallenberg
Leestijd: < 1 minuut
Lesedauer: < 1 Minute
Reading time: < 1 minute

Elieske maakt deel uit van de sectie Verzekering en Aansprakelijkheid en houdt zich bezig met uiteenlopende verzekeringsrechtelijke kwesties.

Opleiding

Elieske heeft gestudeerd aan de Universiteit Leiden. Daar behaalde zij in 2017 haar bachelorsdiploma. In 2019 rondde zij de master Civiel recht cum laude af. Tijdens haar bachelor studeerde zij een semester aan de University of East Anglia in Norwich, Verenigd Koninkrijk.

Werkervaring

In augustus 2019 is Elieske beëdigd als advocaat. Tijdens haar studie heeft zij verschillende stages gelopen in de advocatuur en bij de Rechtbank Amsterdam. Daarnaast was Elieske onder meer actief als commissielid bij de faculteitsvereniging en als bestuurslid bij het Augustijns Theater. In 2018 heeft zij de theaterstichting Henk Speelt opgericht, een muziektheatercollectief in Leiden. Eerder behaalde Elieske haar propedeuse musicaltheater aan de Fontys Hogeschool voor de Kunsten.

Contact

We gebruiken cookies om ervoor te zorgen dat onze website zo soepel mogelijk draait. Als je doorgaat met het gebruiken van de website, gaan we ervan uit dat je ermee instemt.