Vos

Beursbengel: Uitspraken GFD rond een rechtsbijstand- en inboedelverzekering

Beursbengel: Uitspraken GFD rond een rechtsbijstand- en inboedelverzekering 2500 1667 Ekelmans Advocaten
EKELMANS-Beursbengels-02
Leestijd: 4 minuten
Lesedauer: 4 Minuten
Reading time: 4 minutes
Expertise:

In Dossier Kifid van de Beursbengel 2022 / nr. 912 bespreekt Lieske de Vos twee uitspraken van de Geschillencommissie Financiële Dienstverlening rond een rechtsbijstand- en een inboedelverzekering.

Uitspraak Geschillencommissie Financiële Dienstverlening Nr. 2022-0036, d.d. 21 januari 2022

Mag verzekeraar gevolgen verbinden aan bovengemiddelde gebruikmaking van rechtsbijstandverzekering?

De consument heeft een rechtsbijstandverzekering afgesloten bij de verzekeraar. De consument heeft een tweetal brieven ontvangen van de rechtsbijstandverzekeraar waarin staat dat hij meer dan gemiddeld een beroep doet op zijn rechtsbijstandverzekering en wat de gevolgen kunnen zijn van het indienen van nieuwe rechtshulpverzoeken.

De consument is het niet eens met het beleid van de verzekeraar en dient een klacht in. De consument vordert dat de verzekeraar wordt verplicht om zijn beleid aan te passen. Daarnaast vordert de consument dat het aantal door hem ingediende rechtshulpverzoeken op nul wordt gezet. Ter onderbouwing van zijn vorderingen heeft de consument het volgende aangevoerd. De consument geeft aan dat hij door pech een aantal keren een beroep heeft moeten doen op zijn verzekering. De consument heeft het idee dat hij nu een soort gele kaart heeft gekregen, wat op dit moment voor hem geen directe gevolgen heeft, maar uiteindelijk wel kan leiden tot een rode kaart. Dat kan als gevolg hebben dat zijn verzekering wordt opgezegd. Volgens de consument moet de verzekeraar vooraf duidelijk aangeven hoeveel rechtshulpverzoeken een verzekerde mag indienen voordat het stappenplan met de bijbehorende maatregelen wordt toegepast. Ook maakt de consument bezwaar tegen de omstandigheid dat de verzekeraar alleen naar het aantal meldingen kijkt en niet naar de inhoud en/of de verschillende modules die de verzekerde heeft afgesloten. De verzekeraar heeft verweer gevoerd tegen de stellingen van de consument.

De commissie overweegt als volgt. Naar het oordeel van de commissie kan het versturen van een brief waarin de verzekerde wordt gewezen op het bovengemiddelde aantal door hem ingediende rechtshulpverzoeken en de mogelijke gevolgen daarvan op zijn plaats zijn. De verzekerde is dan immers in een vroeg stadium gewezen op mogelijk vervelende gevolgen voor hemzelf. In dit geval heeft de verzekeraar de consument in zijn brief uitgebreid en naar behoren geïnformeerd over het beleid dat de verzekeraar hanteert. In de brief is ook aangegeven dat het niet altijd nodig is om een rechtshulpverzoek in te dienen. De verzekeraar heeft de consument hiervoor verwezen naar de website van Achmea Rechtsbijstand voor tips en advies. In de brief heeft de verzekeraar daarnaast uitgelegd wat de mogelijke gevolgen zullen zijn als de consument zijn claimgedrag niet aanpast. Daarmee is de consument tijdig gewezen op de mogelijke gevolgen van het ongewijzigd voortzetten van zijn meldingsgedrag. De consument wordt daarmee in de gelegenheid gesteld zijn meldingsgedrag zo nodig en mogelijk aan te passen. Naar het oordeel van de commissie heeft de verzekeraar in de procedure bij Kifid op een duidelijke wijze uitgelegd wat zijn beleid inhoudt. Dit beleid komt de commissie niet onredelijk voor. Naar het oordeel van de commissie is ook geen sprake van misleiding. De commissie ziet dan ook geen aanleiding om de vordering van de consument om het aantal rechtshulpverzoeken op nul te zetten, toe te wijzen.

Uitspraak Geschillencommissie Financiële Dienstverlening Nr. 2022-0049, d.d. 26 januari 2022

Sprake van fraude vanwege het afgeven van verschillende toedrachten?

De partner van de consument heeft onder meer een standaard inboedelverzekering, zonder allriskdekking, en een Kostbaarheden Buitenshuisverzekering bij de verzekeraar. Zij is de verzekeringnemer onder de polis en de consument is meeverzekerd.

De consument heeft op 24 november 2019 een iPhone uit zijn hand laten vallen met als gevolg een gebarsten scherm en een storing in het beeldscherm. De consument heeft schade aan zijn telefoon gemeld en daarbij verklaard dat de telefoon binnenshuis was ge vallen. Een dag later heeft de consument opnieuw gebeld, met een andere toedracht. Het toestel zou zijn gevallen bij het uitstappen van de auto. Vanwege deze tegenstrijdige verklaringen heeft de afdeling Speciale Zaken van de verzekeraar de claim van de consument in december 2019 onderzocht. De verzekeraar concludeert dat de consument met een tweede schademelding heeft geprobeerd om door een onjuiste voorstelling van zaken de schade aan de telefoon alsnog vergoed te krijgen. De verzekeraar gaat niet over tot uitkering en de persoonsgegevens van de consument zijn voor acht jaar opgenomen in het Incidentenregister en voor de duur van drie jaar in het Extern Verwijzingsregister (EVR).

De consument dient een klacht in en vordert dat de maatregelen ongedaan worden gemaakt. De consument vordert dat alle registraties van de persoonsgegevens en de registraties op zijn adres ongedaan worden gemaakt. Daarnaast vordert hij vergoeding van de materiële en immateriële schade. Ter onderbouwing voert consument het volgende aan. De schade is in eerste instantie afgewezen. Naar aanleiding daarvan heeft de consument de voorwaarden gelezen. Vervolgens heeft de consument in een tweede gesprek, het gesprek van 26 november 2019, vragen gesteld over de dekking onder de inboedelverzekering en de dekking onder de Kostbaarheden Buitenhuisverzekering. Dit gesprek is informerend/afstemmend geweest. Hij heeft in dat gesprek alleen advies en informatie gevraagd en uitdrukkelijk niet de intentie gehad om een andere toedracht te geven om dekking onder de verzekering te krijgen. De verzekeraar heeft in de interne klachtenprocedure de proportionaliteit van de registratie in het EVR opnieuw beoordeeld en heeft daarop een correctie toegepast die ertoe heeft geleid dat de registratie werd doorgehaald. De verzekeraar heeft dus twee verschillende onderbouwingen gegeven van de EVRregistratie. De consument kan er daardoor niet op vertrouwen dat de verzekeraar eenduidig, betrouwbaar, zuiver en rechtmatig handelt. De verzekeraar voert verweer. De commissie is van oordeel dat in voldoende mate is komen vast te staan dat de consument opzettelijk een onjuiste voorstelling van zaken heeft gegeven om een uitkering onder de verzekering te krijgen waarop hij geen recht heeft. De schade aan de telefoon is op die grond terecht afgewezen en de verzekering van de consument is terecht beëindigd. Ook de registratie van de persoonsgegevens van de consument is terecht en proportioneel.

Auteur

Beursbengel: Uitspraken GFD rond een aansprakelijkheids- en inboedelverzekering

Beursbengel: Uitspraken GFD rond een aansprakelijkheids- en inboedelverzekering 2560 1707 Ekelmans Advocaten
Beursbengel - december 2021
Leestijd: 5 minuten
Lesedauer: 5 Minuten
Reading time: 5 minutes
Expertise:

In Dossier Kifid van de Beursbengel 2021 / nr. 910 bespreekt Lieske de Vos twee uitspraken van de Geschillencommissie Financiële Dienstverlening rond een aansprakelijkheids- en een inboedelverzekering.

Uitspraak Geschillencommissie Financiële Dienstverlening Nr. 2021-0927, d.d. 2 november 2021

Is een grondboormachine een motorrijtuig?

De consument heeft bij de verzekeraar een aansprakelijkheidsverzekering voor particulieren afgesloten. Op deze verzekering zijn de Verzekeringsvoorwaarden Aansprakelijkheid van toepassing.

De consument heeft op 18 juli 2020 een grondboormachine, voorzien van wielen en een hydraulisch aangedreven motor, geleend om een aantal gaten in een fundering te boren. Bij het afrijden van de machine van de aanhanger, raakte deze uit balans en viel om, als gevolg waarvan schade aan de grondboormachine is ontstaan. De eigenaar van de machine heeft de consument voor de ontstane schade aansprakelijk gesteld.

De consument heeft een beroep op zijn aansprakelijkheidsverzekering gedaan. Bij brief van 15 oktober 2020 heeft de verzekeraar onder verwijzing naar artikel 13 van de voorwaarden, de schadeclaim afgewezen. De aansprakelijkheidsverzekering biedt geen dekking voor schade aan motorrijtuigen of aanhangers die verzekerde leent, gebruikt of waarover verzekerde op een andere manier een zorgplicht heeft. Bovendien biedt de aansprakelijkheidsverzekering geen dekking voor schade aan zaken van anderen die ontstaat met of door een motorrijtuig.

De consument stelt zich – kortgezegd – op het standpunt dat de verzekeraar zijn schadeclaim ten onrechte heeft afgewezen door een beroep te doen op artikel 13 van de voorwaarden. Volgens de consument gaat de verzekeraar er ten onrechte vanuit dat de grondboormachine een motorrijtuig is.

In de voorwaarden is geen definitie van het begrip ‘motorrijtuig’ opgenomen. De consument stelt dat het begrip ‘motorrijtuig’ in de WAM en de WVW wordt omschreven als een voertuig, zonder dat vervolgens duidelijk blijkt wat onder een voertuig moet worden verstaan. De consument vindt dat een nadere uitleg van het begrip ‘voertuig’ nodig is en zoekt daarbij aansluiting bij de omschrijving van dat woord in het woordenboek.

Op basis van twee online bronnen kan de conclusie worden getrokken dat het begrip ‘voertuig’ verwijst naar het vervoeren van mensen of goederen. De grondboormachine voldoet hier niet aan, aldus de consument. De grondboormachine dient niet om mensen of goederen te verplaatsen. Dit maakt dat geen sprake is van een motorrijtuig. De consument doet daarbij een beroep op de contra proferentem-regel. De verzekeraar heeft verweer gevoerd tegen de stellingen van de consument. De commissie overweegt als volgt. Vaststaat dat het begrip ‘motorrijtuigen’ niet nader in de voorwaarden is omschreven. De vraag die beantwoord moet worden is wat onder het begrip ‘motorrijtuigen’ wordt verstaan. Nu de voorwaarden objectief moeten worden uitgelegd, zal de commissie voor de objectieve uitleg van het begrip ‘motorrijtuigen’ net als de consument en de verzekeraar aansluiting zoeken bij de definitie van het begrip als vermeld in artikel 1 WAM en artikel 1 WVW. Naar het oordeel van de commissie kan de grondboormachine worden gezien als het goed dat door het voertuig wordt vervoerd. De grondboormachine moet immers kunnen worden verplaatst om op de plaats van bestemming werkzaamheden te verrichten. Dit betekent dat aan de door de consument bedoelde uitleg van de definitie van het begrip ‘voertuig’ wordt voldaan.

Ook op grond van de WAM en de WVW kan de grondboormachine worden aangemerkt als voertuig. De grondboormachine kan zich door een motorische aandrijving op eigen kracht voortbewegen over de grond. Zij is daartoe ook bestemd, zodat daarmee wordt voldaan aan de gegeven definities in de WAM en de WVW. Een en ander leidt tot de conclusie dat de verzekeraar de claim van de consument mocht afwijzen. De vordering van de consument wordt afgewezen.

Uitspraak Geschillencommissie Financiële Dienstverlening nr. 2021-0918 d.d. 28 oktober 2021

Schade aan spullen van tijdelijk uitwonend kind gedekt?

De consument heeft bij de verzekeraar een inboedelverzekering met een allriskdekking. Op 17 november 2020 is rook- en roetschade ontstaan aan spullen en kleding van de dochter van de consument die ten tijde van de schade op een andere locatie dan het risicoadres van de verzekering stonden.

Bij brief van 26 november 2020 heeft de verzekeraar de tussenpersoon van de consument laten weten dat er geen dekking is voor de schade, omdat de spullen van de dochter zich niet op het risicoadres bevonden en omdat niet is gebleken dat de spullen slechts tijdelijk op een ander adres bevonden nu het verblijf van de dochter op het schadeadres een permanent karakter had.

De consument vordert dekking voor de brandschade. Volgens de consument is de schade gedekt onder de inboedelverzekering. Ten tijde van de schade stond de dochter ingeschreven op het risicoadres. In verband met werkzaamheden in haar kamer als gevolg van een waterschade, verbleef zij vanaf 9 oktober 2020 tijdelijk, en niet langer dan drie maanden, op het schadeadres. Het adres waar de dochter verbleef had geen woonvergunning en werd gebruikt als kantoor. Het adres beschikte over een ruimte waar de dochter tijdelijk kon verblijven. De afspraak met de eigenaar van het pand was dat zij daar maximaal drie maanden zou verblijven. Dit is een mondelinge afspraak die niet is neergelegd in een schriftelijke huurovereenkomst.

Volgens de verzekeraar is voor dekking in dit geval vereist dat de dochter verzekerde is in de zin van de voorwaarden, en dus een inwonend kind was, en dat haar inboedel zich tijdelijk – voor niet langer dan drie maanden – elders bevond. De dochter is geen verzekerde in de zin van de voorwaarden omdat zij niet thuiswonend is. De consument heeft niet aangetoond dat de dochter wel thuis woonde en slechts tijdelijk op een ander adres, waar zich de schade heeft voorgedaan, verbleef. De commissie oordeelt als volgt. Vaststaat dat de dochter op 17 november 2020 verbleef op het schadeadres. De commissie moet het verblijf van de dochter op het schadeadres kwalificeren. Volgens de consument was het verblijf tijdelijk. De verzekeraar heeft daar tegenovergesteld dat de aard van de spullen die aanwezig waren op het schadeadres meebrengt dat het om een permanent verblijf ging. Daar gaat de commissie niet in mee. Dat de aanwezige spullen het mogelijk maken langer in een bepaalde ruimte te blijven, maakt niet dat op basis daarvan moet worden aangenomen dat het om een verblijf met een definitief karakter ging. In dit verband weegt de commissie in belangrijke mate mee dat de eigenaar heeft verklaard dat de dochter niet langer dan drie maanden op het schadeadres kon verblijven. De verzekeraar heeft daarop aangevoerd dat inschrijving op het schadeadres in verband met de bestemming van het pand niet mogelijk was, dus dat die verklaring niets zegt over de intentie van de consument om definitief uit huis te gaan. De commissie volgt de verzekeraar niet in dit standpunt. De intentie van de dochter om uiteindelijk definitief uit huis te gaan, brengt naar het oordeel van de commissie onder de omstandigheden van dit geval niet mee dat zij met haar vertrek naar het schadeadres al definitief uit huis was gegaan. Ook de omstandigheid dat de dochter ten tijde van de schade feitelijk verbleef op het schadeadres, betekent, in het licht van hetgeen hierboven is overwogen niet dat dat definitief was. Dit brengt naar het oordeel van de commissie mee dat voldoende aannemelijk is dat de dochter op de schadedatum nog op het risicoadres inwonend was.

De commissie beslist dat de verzekeraar de geleden schade aan de consument vergoedt.

Auteur

Beursbengel: Uitspraken GFD over een rechtsbijstandverzekering en een inboedel- en opstalverzekering

Beursbengel: Uitspraken GFD over een rechtsbijstandverzekering en een inboedel- en opstalverzekering 665 509 Ekelmans Advocaten
Beursbengel vakblad verzekering
Leestijd: 4 minuten
Lesedauer: 4 Minuten
Reading time: 4 minutes
Expertise:

Lieske de Vos bespreekt in de Beursbengel twee uitspraken van de Geschillencommissie Financiële Dienstverlening: één uitspraak rond een rechtsbijstandverzekering en een rond een inboedel- en opstalverzekering.

Uitspraak Geschillencommissie Financiële Dienstverlening Nr. 2021-0648 d.d. 15 juli 2021

Weigeren dekking; sprake van redelijk handelend verzekeraar?

De managing director van de voormalig werkgever van de consument heeft Consument per e-mail van 28 maart 2019 aangesproken op zijn houding/functioneren. In die e-mail wordt Consument uitgenodigd voor een gesprek op 5 april 2019. Op 8 juli 2019 heeft Consument een schriftelijke waarschuwing over zijn functioneren ontvangen van de managing director van zijn voormalige werkgever. Op 16 juli 2019 heeft Consument een rechtsbijstandverzekering aangevraagd bij de verzekeraar. In verband hiermee heeft hij een aanvraagformulier ingevuld. Voor zover relevant werd daarin het volgende gevraagd:

‘Hebt u een (dreigend) arbeidsgeschil met uw huidige werkgever? (…) Heeft u verder nog iets mee te delen over de te verzekeren risico’s, over uzelf, of één van de personen die u wilt meeverzekeren, dat voor het beoordelen van deze aanvraag van belang kan zijn?’

Consument heeft beide vragen met ‘nee’ beantwoord.

Op 11 februari 2020 meldt Consument een arbeidsgeschil met zijn voormalig werkgever aan verzekeraar. Verzekeraar laat daarop weten het verzoek om rechtsbijstand af te wijzen nu Consument zich niet heeft gehouden aan de mededelingsplicht bij het afsluiten van de verzekering. Immers, hij heeft ten onrechte niet vermeld dat hij reeds een waarschuwing over zijn functioneren heeft ontvangen. Consument is het daar niet mee eens en dient een klacht in bij de Geschillencommissie. Consument stelt zich op het standpunt dat hij zijn mededelingsplicht niet heeft geschonden. Volgens Consument betekent kritiek krijgen nog niet dat er een geschil dreigende is. Verzekeraar voert verweer.

De Commissie oordeelt dat Verzekeraar dekking heeft mogen weigeren. De Commissie overweegt daartoe dat op grond van artikel 7:928 BW er op verzekeringnemer een mededelingsplicht rust bij aangaan van de verzekering. Als de verzekeraar aanvoert dat hij met kennis van de juiste stand van zaken ten tijde van het sluiten van de verzekering een uitsluitingsclausule zou hebben bedongen, komt het aan op de vraag of een redelijk handelend verzekeraar dit ook zou hebben gedaan. Als uitgangspunt geldt dus een toetsing aan het acceptatiebeleid van de redelijk handelend verzekeraar.

Met de verzekeraar is de Commissie van mening dat uit de waarschuwingsbrief duidelijk blijkt dat de voormalig werkgever niet tevreden was over het functioneren van Consument. Het gehele verloop is in de brief ook helder omschreven. Aan de waarschuwingsbrief is bovendien een gesprek en eerdere correspondentie voorafgegaan. Daarbij komt dat het opvallend is dat tussen het ontvangen van de waarschuwingsbrief en het aanvragen van de rechtsbijstandverzekering weinig tijd zit. De Commissie is van oordeel dat ook een redelijk handelend verzekeraar een clausule zou hebben bedongen dat onder deze omstandigheden het geschil met de werkgever niet onder de dekking valt. De conclusie is dan ook dat de verzekeraar niet is tekortgeschoten in de nakoming van zijn verplichtingen uit de verzekeringsovereenkomst door de door Consument gevorderde kosten niet te vergoeden.

Uitspraak Geschillencommissie Financiële Dienstverlening Nr. 2021-0619 d.d. 6 juli 2021

Handelt tussenpersoon voldoende voortvarend?

Consument heeft via de tussenpersoon een opstalverzekering en een inboedelverzekering afgesloten. Op 2 november 2019 is er in de woning van Consument ingebroken. Door de inbraak is aan het keukenraam van de consument schade ontstaan. De boekhouder van Consument heeft deze schade op 6 november 2019 gemeld bij de tussenpersoon. In de keuken is vervolgens een noodraam geplaatst. Op 20 november 2019 heeft de tussenpersoon het politierapport ontvangen.

Eind januari 2020 heeft de boekhouder van Consument bij de tussenpersoon geïnformeerd naar de stand van zaken. Consument had op dat moment reeds een nieuw kozijn besteld. De tussenpersoon heeft bij de boekhouder van Consument om een offerte van het kozijn gevraagd. Op 6 februari 2020 heeft de boekhouder aan de tussenpersoon laten weten dat het schadebedrag waarschijnlijk hoger is dan 2.000 euro. De tussenpersoon heeft vervolgens een expert ingeschakeld. De expert heeft vastgesteld dat het kozijn kon worden gerepareerd en heeft het schadebedrag vastgesteld op 950 euro. Consument had op dat moment al getekend en betaald voor het nieuwe kozijn en kon deze bestelling niet meer terugdraaien. De verzekeraar heeft het bedrag van 950 euro uitgekeerd aan Consument.

Consument heeft een klacht ingediend. Volgens Consument kon tussenpersoon al eerder (reeds in november) een expert inschakelen. Op die wijze had voorkomen kunnen worden dat de kosten voor het nieuwe kozijn werden gemaakt. Consument vordert 2.350 euro, zijnde de kosten van het nieuwe raam minus het uitgekeerde bedrag door verzekeraar. Ter onderbouwing van de vordering voert Consument aan dat tussenpersoon zijn zorgplicht heeft geschonden door te traag te handelen ten aanzien van de afhandeling van de inbraakschade, nu tussenpersoon reeds in november 2019 een expert had kunnen laten komen. Tussenpersoon voert verweer.

De Commissie oordeelt dat tussenpersoon zijn zorgplicht jegens Consument niet heeft geschonden.

De Commissie overweegt daartoe als volgt. De overeenkomst tussen Consument en de tussenpersoon is een overeenkomst in de zin van artikel 7:400 van het Burgerlijk Wetboek. Een assurantietussenpersoon is op grond van artikel 7:401 BW verplicht om tegenover zijn opdrachtgever, de consument, bij zijn werkzaamheden de zorg te betrachten die van een redelijk bekwaam en redelijk handelend assurantietussenpersoon verwacht mag worden. Deze algemene zorgplicht is nader ingevuld in de rechtspraak. De zorgplicht geldt niet alleen ten tijde van het sluiten van de verzekeringsovereenkomst, maar vergt ook een actieve en voortdurende bemoeienis door de adviseur met tot zijn portefeuille behorende verzekeringen tijdens de looptijd van de verzekeringsovereenkomst.

De Commissie stelt vast dat tussen partijen is afgesproken dat Consument te zijner tijd een offerte en het proces-verbaal van de politie naar de tussenpersoon zou sturen. Uiteindelijk heeft de tussenpersoon op 20 november 2019 het politierapport ontvangen en is op 10 februari een expert ingeschakeld. Uit het dossier blijkt dat Consument op dat moment al een nieuw kozijn had besteld en betaald. Naar het oordeel van de commissie heeft de tussenpersoon gedurende de afhandeling van de schade voldoende voortvarend gehandeld door een expert in te schakelen op het moment dat duidelijk werd dat het schadebedrag wellicht hoger was dan 2.000 euro. Kort daarna is het schadebedrag aan Consument uitgekeerd. Dat Consument zelf zonder nader overleg met de tussenpersoon een kozijn heeft besteld en betaald en dat deze opdracht niet meer kon worden teruggedraaid, is niet aan de tussenpersoon toe te rekenen, nu duidelijk uit de gespreksverslagen volgt dat Consument eerst een o›erte zou opsturen naar de tussenpersoon. De slotsom luidt dan ook dat de vordering van Consument wordt afgewezen.

Auteur

Beursbengel: Uitspraken GFD over een weggewaaid dak en een paardenverzekering

Beursbengel: Uitspraken GFD over een weggewaaid dak en een paardenverzekering 665 509 Ekelmans Advocaten
Beursbengel vakblad verzekering
Leestijd: 5 minuten
Lesedauer: 5 Minuten
Reading time: 5 minutes
Expertise:

Lieske de Vos bespreekt in de Beursbengel twee uitspraken van de Geschillencommissie Financiële Dienstverlening: één uitspraak rond een camperverzekering en een rond een paardenverzekering.

Uitspraak Geschillencommissie Financiële Dienstverlening Nr. 2021-0159, d.d. 17 februari 2021

Een van buiten komende omstandigheid?

De consument heeft in 2019 een tweedehands kampeerauto uit 2005 aangeschaft. Op 19 juni 2020 is tijdens een rit op de snelweg, bij het passeren van een vrachtwagen, het panoramadak van de kampeerauto afgewaaid. Om de schade vergoed te krijgen, heeft consument haar verzekeraar aangesproken waarbij zij een camperverzekering had afgesloten. De verzekeraar schakelde daarop een expert in. Deze concludeerde dat het dakraam zat verlijmd op het dak en dat op de oude kit/lijm die nog op het dak van de cabine zat, sporen van vuil en slechte hechting van kit/lijm zichtbaar waren. Aldus werd vastgesteld dat het dakraam al enige tijd heeft losgezeten. De conclusie van verzekeraar is dat het dakraam uit het dak is gewaaid door een constructie/montagefout en niet door een van buitenaf komend onheil, waarvoor de consument is verzekerd. De verzekeraar heeft vervolgens uitkering geweigerd omdat er geen sprake was van een verzekerde gebeurtenis en daarbij verwezen naar de voorwaarden.

De klacht van de consument betreft het weigeren van uitkering. Op basis van de uitleg die de consument aan de voorwaarden geeft, dient de verzekeraar hem de schade uit te keren. De consument voert daarbij aan dat de schade is ontstaan door luchtdruk of luchtvacuüm van de passerende vrachtauto, waardoor het panorama dak is losgeraakt. De consument heeft uitkering gevorderd van 3.000 euro.

Verzekeraar verweert zich door te stellen dat de expert heeft vastgesteld dat de kit/lijm al enige tijd niet meer goed was. Volgens de expert is dat de hoofdoorzaak van het loslaten van het panoramadak van de consument. De verzekeraar heeft verder aangevoerd dat op grond van artikel 27 van de bijzondere voorwaarden sprake moet zijn van een: ‘onverwachte, van buiten komende gebeurtenis’ en meent dat dus beoordeeld moet worden of de oorzaak van de schade van de consument een onverwachte en van buiten komende gebeurtenis is. In dat kader moet volgens de verzekeraar de dominant cause worden vastgesteld. Voor de schade van de consument moest volgens de verzekeraar dus bepaald worden wat de rechtens relevante oorzaak is geweest van het losraken van het panoramadak. Hij heeft gesteld dat de rechtens relevante oorzaak van het losraken van het panoramadak de slechte hechting van de kit/lijm is. Hieruit heeft de verzekeraar geconcludeerd dat geen sprake is van een verzekerde gebeurtenis en dat de schadeclaim van de consument niet voor vergoeding in aanmerking komt. De verzekeraar voert verder aan dat, mocht de luchtdruk/het luchtvacuüm door het passeren van een vrachtauto de oorzaak van de schade zijn, dit ook niet tot dekking onder de verzekering zou leiden. Immers, een kampeerauto moet een vrachtauto kunnen inhalen zonder dat het panoramadak van de auto afwaait.

De commissie oordeelt dat de Consument de stelling dat de schade zou zijn veroorzaakt door de luchtdruk/het luchtvacuüm niet heeft onderbouwd, terwijl de expert van verzekeraar heeft vastgesteld dat de oorzaak van het afwaaien van het panoramadak de slechte hechting van de kit/lijm is. Gezien het feit dat de expert van de verzekeraar de oorzaak heeft vastgesteld en dat deze onvoldoende gemotiveerd is betwist, neemt de commissie aan dat de slechte hechting van de kit/lijm als dominant cause van de schade kan worden aangewezen. De dominant cause-maatstaf is doorslaggevend wanneer geen causaliteitsmaatstaf blijkt uit de voorwaarden. De dominant cause vaststellen gebeurt door te bepalen welke oorzaak of welke oorzaken als e.ectieve oorzaak of oorzaken van de schade kunnen worden gezien. De oorzaak die de consument heeft aangedragen is onvoldoende onderbouwd. Daar komt nog bij dat ook al zou de luchtdruk/het luchtvacuüm vanwege het passeren van een vrachtwagen als oorzaak kunnen worden beschouwd, dit niet zou duiden op dekking onder de verzekering. Een camper moet immers voldoende toegerust zijn om over een snelweg te kunnen rijden en vrachtauto’s te kunnen inhalen. Op grond van de voorwaarden moet vervolgens worden beoordeeld of de door consument geleden schade gedekt is onder de verzekering. In artikel 27 is bepaald dat sprake moet zijn van een onverwachte, van buiten komende, gebeurtenis. Nu de commissie oordeelt dat de schade (hoofdzakelijk) is ontstaan door slechte hechting van kit/lijm en dat het geen van buiten komende gebeurtenis betreft, valt de schade niet onder de dekking van de verzekering.

De commissie wijst de vordering af.

Uitspraak Geschillencommissie Financiële Dienstverlening Nr. 2021-0170, d.d. 19 februari 2021

Verrekening van het resterende gedeelte premie over het verzekeringsjaar toegestaan?

De consument heeft voor haar paard via de bemiddelaar een paardenverzekering gesloten. De contractvervaldatum is 8 februari 2020, waarna de verzekering stilzwijgend wordt verlengd. In de toepasselijke Algemene Voorwaarden is een bepaling opgenomen, inhoudende dat de verzekering automatisch eindigt direct en automatisch als uitkering is gedaan in geval van totaal verlies. Bij totaal verlies blijft de premie over het resterende gedeelte van het verzekeringsjaar verschuldigd. Dit wordt verrekend met de schade-uitkering. Ten aanzien van de toepassing van deze bepaling heeft consument een klacht ingediend.

De casus is als volgt. Op 3 juli 2020 is het paard van de consument geëuthanaseerd en om die reden is de verzekering per die datum beëindigd. De bemiddelaar heeft de consument bij brief van 21 juli 2020 over de schadeafwikkeling geïnformeerd. De bemiddelaar heeft een schadevergoeding uitgekeerd van 90 procent van het verzekerd bedrag in verband met blijvende ongeschiktheid verminderd met de restwaarde euthanasie. Verder is de consument erover geïnformeerd dat, omdat sprake is van totaal verlies, de resterende jaarpremie tot 8 februari 2021 in mindering wordt gebracht op de uitkering. De consument vordert betaling van het verrekende bedrag, zijnde het premiebedrag dat in mindering is gebracht op de uitkering. De consument voert aan dat zij erkent dat de schade is afgewikkeld volgens de voorwaarden, maar dat verzekeringen tussentijds kunnen worden opgezegd na een looptijd van een jaar. Bovendien is er na het overlijden van het paard geen risico meer. De verzekering moet daarom worden beëindigd zonder dat de resterende jaarpremie in rekening wordt gebracht. Het verzekeringsjaar van de verzekering van de consument loopt tot februari. Als de contractvervaldatum in augustus zou zijn, zou de resterende jaarpremie minder zijn. Om deze redenen is het in rekening brengen van de resterende premie na het overlijden van het paard wettelijk niet toegestaan. Bemiddelaar heeft verweer gevoerd tegen deze stellingen.

De commissie is van oordeel dat de vraag die beantwoord moet worden is of met een beroep op de Algemene Voorwaarden de resterende jaarpremie kon worden verrekend met de uitkering. In de Algemene Voorwaarden is bepaald dat bij totaal verlies de premie over het resterende gedeelte van het verzekeringsjaar verschuldigd is. De wet verzet zich niet tegen deze bepaling. In artikel 7:938 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek is bepaald dat geen premie is verschuldigd als in het geheel geen risico is gelopen en dat als over een vol verzekeringsjaar geen risico is gelopen, over dat jaar geen premie is verschuldigd. In deze situatie is geen sprake van een vol verzekeringsjaar waarin geen risico is gelopen, omdat de verzekeraar in het destijds lopende verzekeringsjaar wel een risico heeft gelopen. Bovendien is de genoemde wettelijke bepaling niet van dwingend recht. De commissie concludeert dan ook dat de bemiddelaar de premie over het resterende gedeelte van het verzekeringsjaar op de uitkering in mindering heeft mogen brengen. De vordering van de consument wordt daarom afgewezen.

Auteur

Beursbengel: Uitspraken GFD over rechtsbijstandverzekering en verzekeringsvoorwaarden

Beursbengel: Uitspraken GFD over rechtsbijstandverzekering en verzekeringsvoorwaarden 665 509 Ekelmans Advocaten
Beursbengel vakblad verzekering
Leestijd: 4 minuten
Lesedauer: 4 Minuten
Reading time: 4 minutes
Expertise:

In Dossier Kifid van de Beursbengel 2020 / nr. 900 bespreekt Lieske de Vos twee uitspraken van de Geschillencommissie Financiële Dienstverlening : één uitspraak rond een rechtsbijstandverzekering en een uitspraak rond verzekeringsvoorwaarden.

Uitspraak Geschillencommissie Financiële Dienstverlening Nr. 2020-879

VERWEZENLIJKING VERZEKERD RISICO?

Consument heeft een particuliere rechtsbijstandverzekering bij Verzekeraar. Consument heeft vanaf 2011 een geschil met de gemeente over de eigendom van een stuk grond. De communicatie met de gemeente hieromtrent werd in eerste instantie opgepakt door de bewonerscommissie. Op 7 maart 2018 laat de gemeente aan Consument weten dat het haar bekend is dat Consument gemeentegrond als voortuin in gebruik heeft en dat een deel van deze voortuin nodig is voor de reconstructie van de straat. Consument is het aanbod gedaan om het deel dat niet nodig is voor de reconstructie te kopen van de gemeente [X]. Per brief van 30 maart 2018 heeft Consument dit aanbod afgewezen, omdat de grond door verjaring al zijn eigendom zou zijn geworden.

Vervolgens meldt Consument deze omstandigheid op 5 maart 2019 bij Verzekeraar, maar Verzekeraar heeft het verzoek om rechtsbijstand afgewezen, omdat Consument het geschil te laat zou hebben gemeld.

Consument klaagt erover dat Verzekeraar ten onrechte dekking heeft geweigerd voor het geschil met de gemeente over de eigendom van de grond. Consument heeft daarvoor, kort samengevat, aangevoerd dat de vordering op Verzekeraar niet is verjaard, omdat de behoefte aan rechtsbijstand pas in 2018 ontstond toen de discussie oplaaide over de vraag wie eigenaar is van de grond die door Consument wordt gebruikt als voortuin. In 2011/2013 was daarover nog geen geschil en Consument hoefde zich toen niet in te spannen om zijn rechten vast te stellen, want er was geen actief handelen vereist. Verzekeraar is volgens Consument niet in zijn belangen geschaad.

Verzekeraar voert verweer en stelt dat het verzoek om rechtsbijstand van Consument is verjaard.

Het geschil tussen Consument en de gemeente is ontstaan toen de gemeente in haar brief van 16 december 2011 stelde dat zij de eigenaar was van het stuk grond dat Consument in bezit had. Maar in ieder geval is de termijn van drie jaar gaan lopen toen de gemeente in haar brief van 27 februari 2012 Consument had bericht zich genoodzaakt te zien via juridische weg haar eigendomsrecht te laten vaststellen als een nadere reactie zou uitblijven. Vanaf het moment dat sprake was van het geschil in 2011 of in 2012 had Consument een opeisbare vordering op Verzekeraar. Toen Consument Verzekeraar verzocht om rechtsbijstand was meer dan drie jaar verstreken en dus is de vordering van Consument verjaard.

De Commissie oordeelt dat in de periode van 2011 tot in 2013 nog geen sprake was van een ‘gebeurtenis waardoor voor de verzekerde een juridisch probleem ontstaat en hij bij dat juridisch probleem moet voorzien in een eigen behoefte aan rechtsbijstand’. Weliswaar hebben Consument en de gemeente in de periode van 2011 tot in 2013 gecorrespondeerd over de eigendom van de grond, maar naar het oordeel van de Commissie lag het op de weg van de gemeente om haar rechten op de grond veilig te stellen. De Commissie volgt Verzekeraar niet in zijn stelling dat het op de weg van Consument lag om zich over zijn juridische positie te laten adviseren naar aanleiding van de brief van de gemeente van 27 februari 2012 of de brief van de bewonerscommissie van 15 maart 2012. De gemeente reageerde namelijk niet meer op de brief van 15 maart 2012 en voor verkrijgende verjaring was verder geen actief handelen van Consument meer vereist. Op dat moment was het dus ook nog niet duidelijk dat sprake was van een belangenconflict. Omdat geen actief handelen van Consument in dit geval was vereist, bestond er voor hem ook nog geen behoefte aan rechtsbijstand. De klacht is aldus gegrond.

Uitspraak Geschillencommissie Financiële Dienstverlening Nr. 2020-875

TOEPASBARE VERZEKERINGSVOORWAARDEN MOETEN KENBAAR ZIJN

Consument heeft via zijn Tussenpersoon zijn motor laten verzekeren. Consument heeft de motor gekocht voor 11.250 euro en de motor is daarna getaxeerd op 13.200 euro. Op het polisblad is bij de motorverzekering onder ‘Dekking(en) en verzekerde bedragen’ onder andere vermeld ‘Casco € 24.595,00 inclusief BTW’.

Vervolgens is de motor op 19 augustus 2018 gestolen. Op 3 oktober 2018 heeft Verzekeraar dekking voor de schade afgewezen, omdat niet was voldaan aan de beveiligingseisen voor motoren met een verzekerde waarde vanaf 15.000 euro in de verzekeringsvoorwaarden.

Consument vindt dat Tussenpersoon zijn zorgplicht heeft geschonden door hem onjuist of onvolledig te informeren over de toepasselijke beveiligingseisen. Tussenpersoon heeft onvoldoende duidelijk gemaakt welke eisen voor de motor van Consument gelden en wat de gevolgen zijn van het niet naleven van deze eisen. Daarbij merkt Consument op dat de beveiligingseisen niet op het polisblad staan. Nu de motor was getaxeerd op 13.200 euro en was aangekocht voor 11.250 euro, is Consument ervan uitgegaan dat de beveiligingseisen die gelden vanaf een waarde van 15.000 euro niet op zijn situatie van toepassing waren. Consument maakt aanspraak op de uitkering die hij in verband met de diefstal van Verzekeraar zou hebben gekregen als Tussenpersoon zijn zorgplicht niet had geschonden.

Tussenpersoon voert verweer en stelt dat hij de toepasselijke beveiligingseisen expliciet en uitgebreid met Consument heeft besproken. Daarbij zou hij Consument ook gewezen hebben op het ontbreken van dekking wanneer niet aan deze eisen is voldaan. In de offerte en op het polisblad wordt een verzekerd bedrag van 24.595 euro vermeld. Bij toezending van de polis per e-mail van 6 juli 2018 heeft Tussenpersoon bovendien de toepasselijke beveiligingseisen geciteerd. Volgens Tussenpersoon is het onlogisch om beveiligingseisen die niet van toepassing zijn te bespreken en per e-mail te bevestigen.

De Commissie oordeelt dat Tussenpersoon niet mocht volstaan met uitsluitend wijzen op de beveiligingseisen die van toepassing zijn bij een verzekerde waarde vanaf 15.000 euro. Tussenpersoon had Consument ook duidelijk moeten maken dat die beveiligingseisen van toepassing waren in de situatie van Consument, waarin de werkelijke waarde van zijn motor lager was dan 15.000 euro. En dat heeft Tussenpersoon verzuimd te doen. Ook is niet vast komen te staan dat Tussenpersoon Consument heeft gewezen op de gevolgen van het niet in acht nemen van de beveiligingseisen. De Commissie is dan ook van oordeel dat de klacht van Consument kan worden toegewezen.

Auteur

Beursbengel: Uitspraken GFD over rechtsbijstand en arbeidsongeschiktheid

Beursbengel: Uitspraken GFD over rechtsbijstand en arbeidsongeschiktheid 665 509 Ekelmans Advocaten
Beursbengel vakblad verzekering
Leestijd: 4 minuten
Lesedauer: 4 Minuten
Reading time: 4 minutes
Expertise:

In Dossier Kifid van de Beursbengel 2020 / nr. 897 bespreekt Lieske de Vos twee uitspraken van de Geschillencommissie Financiële Dienstverlening: één uitspraak rond een rechtsbijstandverzekering en een uitspraak over een arbeidsongeschiktheidsverzekering.

Uitspraak Geschillencommissie Financiële Dienstverlening Nr. 2020-611, d.d 22 juli 2020

Sprake van overbouw?

Consument heeft bij Verzekeraar een rechtsbijstandverzekering (hierna: de Verzekering) afgesloten. In het kader van een geschil met de buren ten aanzien van de erfgrens, heeft Consument in 2011 een beroep gedaan op de Verzekering. Volgens de toentertijd ingeschakelde advocaat was niet zonder meer duidelijk dat sprake was van overbouw. Voor een redelijke kans van succes zou het volgens de advocaat nodig zijn dat een landmeetkundige een nadere schriftelijke verklaring geeft, waarin voor buitenstaanders duidelijk omschreven wordt dat sprake is van overbouw.

Vervolgens heeft Consument een aantal pogingen gedaan om een dergelijke schriftelijke verklaring van een landmeetkundige te krijgen. Nu een dergelijke verklaring uitbleef, heeft Verzekeraar aan Consument te kennen gegeven niet over te gaan tot het verlenen van rechtsbijstand. Daarop stelde Consument een klacht in bij Kifid. Op 5 november 2012 werd Consument echter in het ongelijk gesteld.

Begin 2018 heeft Consument Verzekeraar verzocht de zaak te heropenen. Verzekeraar heeft dat verzoek gehonoreerd, met dien verstande dat voor wat betreft het geschil over de vermeende overbouw, Verzekeraar haar reeds ingenomen standpunt handhaaft. Consument heeft daarop nog een erfgrensconstructie laten uitvoeren. Verzekeraar is echter van mening dat de tekening onvoldoende is om te kunnen aantonen dat sprake is van overbouw en wijst het verzoek af.

Consument vordert dat Verzekeraar hem alsnog rechtsbijstand verleent in het burengeschil ten aanzien van de overbouw en daarbij de kosten vergoedt die Consument heeft moeten maken voor het opstellen van een grensreconstructie. Volgens Consument zou de meting voldoende aantonen dat sprake is van overbouw, waardoor Verzekeraar moet overgaan tot het verlenen van rechtsbijstand.

Naar het oordeel van de commissie is Consument er niet in geslaagd een verklaring van een deskundige, zoals bedoeld door de advocaat in zijn in 2012 afgegeven advies, te overleggen waaruit duidelijk volgt dat sprake is van overbouw. Dit brengt mee dat Consument niet heeft voldaan aan de voorwaarde, als genoemd in de second opinion van de advocaat, om in deze kwestie Verzekeraar opnieuw te kunnen inschakelen. Verzekeraar heeft het nieuwe verzoek van Consument om rechtsbijstand in het geschil met de buren over de vermeende overbouw derhalve mogen afwijzen.

Uitspraak Geschillencommissie Financiële Dienstverlening Nr. 2020-597, d.d. 22 juli 2020

Mate van arbeidsongeschiktheid

Consument heeft voor zijn beroep van schoenwinkelier bij Verzekeraar een arbeidsongeschiktheidsverzekering gesloten (hierna: de Verzekering).

Consument heeft zich per 3 maart 2016 voor 100 procent arbeidsongeschikt gemeld vanwege hartklachten. Uiteindelijk heeft Verzekeraar begin 2018 de mate van arbeidsongeschiktheid van Consument opnieuw beoordeeld door middel van een verzekeringsgeneeskundig en arbeidsdeskundig onderzoek. Op basis daarvan heeft Verzekeraar per 16 mei 2018 de arbeidsongeschiktheid ingedeeld in klasse 25-35 procent.

Vanwege een toename van de arbeidsongeschiktheid door andere klachten heeft Verzekeraar tijdelijk over de periode 17 mei tot en met 30 mei 2018 een uitkering op basis van 80-100 procent arbeidsongeschiktheid aan Consument verstrekt. Consument heeft vervolgens meermaals bezwaar aangetekend tegen het vastgestelde percentage arbeidsongeschiktheid van 25-35 procent. Naar aanleiding van het bezwaar heeft Verzekeraar voorgesteld om in gezamenlijk overleg een orthopedisch en verzekeringsgeneeskundig onderzoek te doen.

Op basis van het arbeidsdeskundig rapport van Arbeidsdeskundige heeft Verzekeraar de mate van arbeidsongeschiktheid met terugwerkende kracht per 31 mei 2018 vastgesteld op 35-45 procent. Daarnaast heeft Verzekeraar Consument erop geattendeerd dat als hij stopt met zijn bedrijf er geen sprake meer is van een verzekerbaar belang en de Verzekering dan beëindigd zal worden.

Nu Consument van mening is dat bij de beoordeling van zijn arbeidsongeschiktheid onvoldoende is gekeken naar de belastbaarheid van zijn rechterknie, heeft Consument vervolgens een klacht ingediend bij Kifid en vordert per 31 mei 2018 een aanvullende uitkering onder de Verzekering op basis van 60 procent arbeidsongeschiktheid. Daarnaast vordert Consument een verklaring voor recht dat Verzekeraar de Verzekering niet mag beëindigen.

De Commissie oordeelt allereerst dat bij het verzekeringsgeneeskundig onderzoek is gekeken naar beide knieën. Dit betekent dat, anders dan Consument stelt, in het verzekeringsgeneeskundig rapport wel rekening is gehouden met de kniebelastende activiteiten van ook de rechterknie en met de beperkingen ten aanzien van het gebruik van beide knieën. Dus wel degelijk was ook de rechterknie inbegrepen. Voor zover Consument betoogt dat niet van het verzekeringsgeneeskundig rapport mag worden uitgegaan, omdat zijn knieklachten na het onderzoek zijn verergerd, oordeelt de Commissie dat Consument zijn stelling op geen enkele wijze heeft onderbouwd met bijvoorbeeld medische informatie of een expertiserapport die zijn stelling ondersteunen.

De Commissie oordeelt dan ook dat Consument zijn stelling onvoldoende heeft onderbouwd en dat Verzekeraar op basis van de expertises terecht uitgaat van een arbeidsongeschiktheidspercentage van 35-45 procent. De vordering wordt afgewezen.

Ten aanzien van de door Consument gevorderde verklaring voor recht dat Verzekeraar de Verzekering niet mag beëindigen, oordeelt de Commissie dat nu de Verzekering op dit moment nog niet is beëindigd door Verzekeraar, de Commissie hierover nog geen oordeel kan geven. Pas wanneer Verzekeraar daadwerkelijk overgaat tot beëindiging van de Verzekering, kan de Commissie beoordelen of sprake is van een rechtmatige beëindiging.

Auteur

Beursbengel: Uitspraken GFD over algemene voorwaarden

Beursbengel: Uitspraken GFD over algemene voorwaarden 665 509 Ekelmans Advocaten
Beursbengel vakblad verzekering
Leestijd: 5 minuten
Lesedauer: 5 Minuten
Reading time: 5 minutes
Expertise:

In Dossier Kifid van de Beursbengel 2020 / nr. 894 bespreekt Lieske de Vos twee uitspraken van de Geschillencommissie Financiële Dienstverlening: één uitspraak rond de algemene voorwaarden van een beleggings- en investeringsmaatschappij en een uitspraak rond de algemene voorwaarden van de Bank.

Uitspraak Geschillencommissie Financiële Dienstverlening Nr. 2020-272 d.d. 27 maart 2020

ICS NIET VERANTWOORDELIJK VOOR MISLUKTE BELEGGING

Consument houdt sinds 16 november 2016 een creditcard aan bij ICS. Consument heeft in totaal een bedrag van 11.700 euro overgeboekt met zijn creditcard naar een beleggings- en investeringsmaatschappij ter belegging in Forex en CFD’s. Op 31 juli 2019 heeft Consument aangifte gedaan van oplichting bij de politie. Op diezelfde dag heeft Consument ICS een brief gestuurd waarin hij – met een beroep op de van toepassing zijnde algemene voorwaarden – kenbaar maakt dat hij is opgelicht en verzoekt de gedane betalingen aan hem te vergoeden. ICS heeft dat verzoek afgewezen.

Consument doet een beroep op de aflevergarantie zoals opgenomen in artikel 17 van de Algemene Voorwaarden. Dit artikel luidt als volgt:

’17.1 Aflevergarantie: als een met uw Card betaald product niet op de afgesproken leverdatum is geleverd, betalen wij het aankoopbedrag aan u terug als aan de volgende twee voorwaarden is voldaan:

(a) u heeft zelf eerst zonder resultaat de Acceptant gevraagd om het product te leveren; en

(b) u heeft ons binnen drie maanden na de afgesproken leverdatum om terugbetaling van het aankoopbedrag gevraagd.’

Bovendien stelt Consument dat ICS de op haar rustende zorgplicht heeft geschonden, nu ICS Consument niet heeft gewaarschuwd voor het frauduleus handelen van het bedrijf waarmee Consument zaken deed.

De Commissie overweegt als volgt: De Commissie oordeelt allereerst dat geen beroep kan worden gedaan op artikel 17 van de Algemene Voorwaarden nu in de onderhavige zaak geen sprake is van een product dat op een afgesproken datum zou worden geleverd, aangezien het gaat om de levering van diensten. Daarnaast is niet komen vast te staan dat het bedrijf waarnaar Consument gelden heeft overgemaakt de overgeboekte bedragen niet heeft belegd en geen diensten heeft verleend. De Commissie wijst daarom het beroep van Consument op de aflevergarantie af.

Ten aanzien van het verwijt dat de op ICS rustende zorgplicht is geschonden, oordeelt de Commissie als volgt:

De rol van ICS als betaaldienstverlener is beperkt tot het optimaliseren van het betalingsverkeer. Op een betaaldienstverlener rust niet in het algemeen de plicht om betaaldienstgebruikers zoals Consument te waarschuwen op basis van een waarschuwing van een financieel toezichthouder, noch om overboekingen nader te onderzoeken of zelfs niet uit te voeren. Niet is komen vast te staan dat ICS op de hoogte was dat de gelden werden overgemaakt naar rekeningnummers van een frauderende beleggingsinstelling, althans dat is niet gesteld noch gebleken. ICS had daarvan ook niet op de hoogte hoeven te zijn, omdat zij niet verplicht is de persoon of maatschappij achter het rekeningnummer te controleren. Tevens hoeft ICS als betaaldienstverlener niet op de hoogte te zijn van waarschuwingen van financieel toezichthouders. Dit zou anders kunnen zijn als ICS de rol van beleggingsdienstverlener vervulde, waarvan hier geen sprake is.

Op grond van het voorgaande oordeelt de Commissie dat de klacht van Consument ongegrond is. De Commissie wijst de vordering af.

Uitspraak Geschillencommissie Financiële Dienstverlening Nr. 2020-255 d.d. 20 maart 2020

NALATIGHEID HEEFT EEN PRIJSKAARTJE

Consument heeft een betaalrekening bij de Bank, waarvoor hij een betaalpas heeft. Op deze overeenkomst zijn de Algemene Voorwaarden van de Bank van toepassing. Kortgezegd volgt uit de Voorwaarden dat de Bank het risico draagt wanneer de Bank zonder geldige opdracht een betaaltransactie uitvoert, tenzij Consument met opzet heeft gehandeld dan wel op grove wijze nalatig is geweest in de stipte naleving van de veiligheidsregels van de Bank.

Op 21 maart 2019 hebben er tussen 9.56 uur en 10.56 uur diverse betalingen en geldopnames met de betaalpas van Consument plaatsgevonden voor een totaalbedrag van 1.256,38 euro. De pincode werd telkens in één keer juist ingetoetst. Consument heeft de betaalpas op 21 maart 2019 om 11.14 uur laten blokkeren bij het filiaal van de Bank. Consument heeft vervolgens bij de politie aangifte gedaan van diefstal.

Consument vordert van de Bank een vergoeding ter waarde van 1.256,38 euro, verhoogd met wettelijke rente. Consument voert daarbij aan dat hij niet nalatig heeft gehandeld ten opzichte van de op hem rustende verplichtingen ten aanzien van het gebruik van de betaalpas. Bovendien voert Consument aan dat hij zo snel mogelijk het verlies van de betaalpas heeft gemeld bij de Bank. Aangezien Consument niet beschikt over internet of over het relevante telefoonnummer van de Bank, kon hij de betaalpas niet eerder blokkeren.

De Commissie overweegt als volgt:

Bij gebreke van instemming van Consument wordt een betalingstransactie volgens artikel 7:522 lid 2 BW als niet-toegestaan aangemerkt. Op grond van artikel 7:528 lid 1 BW moet de Bank in geval van een niet-toegestane betalingstransactie Consument onmiddellijk het bedrag van de niet-toegestane betalingstransactie terugbetalen. Volgens artikel 7:529 lid 1 BW draagt de betaler echter alle verliezen die uit niet-toegestane betalingstransacties voortvloeien, indien deze zich hebben voorgedaan doordat hij frauduleus heeft gehandeld of opzettelijk of met grove nalatigheid één of meer verplichtingen uit hoofde van artikel 7:524 BW niet is nagekomen. Volgens het eerste lid onder a van dat artikel moet de Consument de betaalpas gebruiken overeenkomstig de voorwaarden die op het gebruik daarvan van toepassing zijn. Eén van die voorwaarden is dat Consument ervoor moet zorgdragen dat hij de pincode die in combinatie met de betaalpas gebruikt wordt, geheim houdt. Een andere voorwaarde is dat Consument ervoor moet zorgen dat de betaalpas nooit door iemand anders gebruikt wordt.

Het is aan de Bank om te bewijzen dat sprake is van grove nalatigheid aan de zijde van Consument. Echter rust op Consument een verzwaarde stelplicht. Dat betekent dat Consument tenminste enig inzicht dient te geven in de wijze waarop de betaalpas en pincode in onbevoegde handen zouden kunnen zijn geraakt, zodat de Bank zich daarover een beeld kan vormen. Consument moet zo concreet mogelijk stellen en onderbouwen wanneer en op welke wijze hij gebruik heeft gemaakt van de betaalpas en de pincode, en daarbij ook zo goed mogelijk een verklaring geven voor de omstandigheid dat de betaalpas kennelijk in handen van derden is gekomen en de pincode kennelijk bij derden bekend is geraakt. Consument heeft geen verklaring gegeven hoe de betaalpas en pincode mogelijk in handen van een derde is gekomen.

Gelet op het feit dat de betwiste betalingstransacties zijn geauthenticeerd, door de Bank onweersproken is gesteld dat er geen sprake is geweest van een storing of technische problemen en dit ook niet uit de overgelegde stukken kan worden afgeleid, Consument geen verifieerbare verklaring heeft gegeven over hoe derden aan zijn betaalpas en pincode hebben kunnen komen, kan de Commissie niet anders concluderen dan dat Consument onvoldoende zorgvuldigheid heeft betracht, waardoor een derde in de gelegenheid is geweest om zich de betaalpas en de bijbehorende pincode van Consument eigen te maken. Dit leidt tot het oordeel dat moet worden aangenomen dat Consument een of meer verplichtingen voor het veilig gebruik van de betaalpas niet is nagekomen en derhalve grof nalatig is geweest.

De conclusie is dat Consument zelf én volledig aansprakelijk is voor de betalingstransacties. De Commissie wijst de vordering van Consument daarom af.

Auteur

Beursbengel: Uitspraken GFD rond een dienstverleningsovereenkomst

Beursbengel: Uitspraken GFD rond een dienstverleningsovereenkomst 665 509 Ekelmans Advocaten
Beursbengel vakblad verzekering
Leestijd: 4 minuten
Lesedauer: 4 Minuten
Reading time: 4 minutes
Expertise:

In Dossier Kifid van de Beursbengel 2020 / nr. 891 bespreekt Lieske de Vos twee uitspraken van de Geschillencommissie Financiële Dienstverlening: beiden rond een dienstverleningsovereenkomst.

Uitspraak Geschillencommissie Financiële Dienstverlening Nr. 2020-1069, 20 december 2019

REDELIJKHEID GAAT SOMS BOVEN CONTRACT

Consument had samen met haar echtgenoot (hierna gezamenlijk aangeduid als Consumenten) een zogeheten ‘Vermogensrekening’ bij de Bank. Op de Overeenkomst tot Vermogensbeheer waren de Voorwaarden Dienstverlening inclusief het Informatieblad Dienstverlening van toepassing.

Op 12 november 2018 heeft de Bank telefonisch aan Consumenten laten weten dat de dienstverlening omtrent de vermogensrekening per 1 januari 2019 zou stoppen, tenzij zou worden voldaan aan de nieuw ingestelde minimumgrens van 500.000 euro aan belegd vermogen. Deze informatie werd op 15 november 2018 nogmaals schriftelijk bevestigd door de Bank. Indien Consumenten niet konden/wilden voldoen aan de minimumgrens, dan bestonden er twee keuzemogelijkheden:
1. de effecten overboeken naar een andere financiële dienstverlener; of
2. de effecten verkopen, waarna het saldo zou worden gestort op de rekening van Consumenten.

Consumenten dienden het ingevulde formulier voor 21 december retour te zenden. Ze kozen ervoor om hun effecten te verkopen. De effecten zijn in januari 2019 verkocht, de verkoopopbrengst bedroeg 162.165 euro. Kortgezegd klagen Consumenten dat de Bank onrechtmatig dan wel onzorgvuldig heeft gehandeld door zonder verdere begeleiding de vermogensbeheerrelatie met een zeer korte termijn op te zeggen.
Uit artikel 11 van de overeenkomst en artikel 27 van de voorwaarden volgt dat de Bank gerechtigd was de overeenkomst – met inachtneming van een termijn van tenminste 30 dagen – op te zeggen.

Echter volgt uit artikel 6:248 lid 1 BW dat de Bank bij de uitoefening van een contractuele bevoegdheid rekening heeft te houden met de aard van de overeenkomst en de eisen van redelijkheid en billijkheid. Immers, ook in een geval als deze waarbij effecten worden verkocht, dient de Bank de zorg van een redelijk handelend vermogensbeheerder te betrachten.

Door het handelen van de Bank zijn Consumenten terechtgekomen in een situatie dat zij zich gedwongen voelden een verkoopopdracht te geven, terwijl zij hun beleggingen in feite wilden behouden. Verder stelden Consumenten vast dat hun beleggingen zijn verkocht tegen een veel nadeligere koers dan zou hebben gegolden indien zij van deskundige begeleiding hadden kunnen profiteren en de Bank tijdig had gewezen op de mogelijkheid wegens zwaarwegende redenen meer tijd te vragen voor het afwikkelen van de in beheer gegeven portefeuille.

De Commissie is dan ook van oordeel dat de Bank niet heeft gehandeld naar de eisen van redelijkheid en billijkheid en onvoldoende oog heeft gehad voor de belangen van haar cliënten en de omstandigheden van het geval. Ook oordeelt de Commissie dat dit tekortschieten tot te vergoeden schade bij Consumenten heeft geleid. Die te vergoeden schade begroot de Commissie naar billijkheid op het verschil tussen het na verkoop aan Consumenten uitgekeerde bedrag en de opbrengst die behaald had kunnen worden bij verkoop op een moment waarop de desbetreŸ ende koersen zich na de aanmerkelijke daling in de laatste maanden van 2018 weer enigszins hadden hersteld. Aldus begroot de Commissie de te vergoeden schade als het verschil tussen 162.165 euro en de opbrengst van verkoop eind februari 2019, zijnde 173.248 euro. Dat verschil, 11.083 euro, dient de Bank aan Consument te vergoeden.

Uitspraak Geschillencommissie Financiële Dienstverlening Nr. 2019-1057, 19 december 2019

LEES VOORDAT U TEKENT

Consumenten hebben in oktober 2018 een eerste gesprek gehad met de Bank in verband met de aankoop van een woning. Op 11 januari 2019 vond een vervolgafspraak plaats. Tijdens deze afspraak hebben Consumenten de dienstverleningsovereenkomst ondertekend. In deze overeenkomst stond opgenomen dat Consumenten advieskosten verschuldigd zullen zijn.

Consumenten hebben vervolgens op 22 februari 2019 telefonisch contact opgenomen met de Bank en aangegeven dat zij zich het prettigst voelden bij een rente voor 30 jaar vast. Aangezien de Adviseur aangaf dat de Bank niet de goedkoopste tarieven bood voor die rentevastperiode, hebben Consumenten besloten de hypothecaire geldlening elders af te sluiten. Vervolgens bracht de Bank voor haar advies een adviesvergoeding van 1.700 euro in rekening.

Consumenten vorderen terugbetaling van het bij hen in rekening gebrachte bedrag van 1.700 euro. Consumenten voeren daarbij aan dat feitelijk het eerste gesprek (wat bij elke hypotheekadviseur gratis is) pas op 11 januari 2019 heeft plaatsgevonden, nu na het eerste gesprek in oktober 2018 nog extra documentatie moest worden aangeleverd alvorens de Bank wat voor Consumenten zou kunnen betekenen. Tijdens het gesprek op 11 januari 2019 waren Consumenten het erover eens dat zij een rentevastperiode van 30 jaar wensten. De adviseur van de Bank bracht hen echter aan het twijfelen, aldus Consumenten. Uiteindelijk is besloten dat Consumenten erover gingen nadenken. De dienstverleningsovereenkomst is vervolgens niet doorgenomen met Consumenten, maar is Consumenten vlak voor vertrek onder de neus geschoven. De overeenkomst is vervolgens door Consumenten getekend, maar dit hadden zij nooit gedaan indien zij wisten dat ze daarmee tekenden voor kosten van 1.700 euro. Volgens Consumenten is deze handelswijze te beschouwen als een list.

De Commissie is van oordeel dat door een handtekening onder een overeenkomst te zetten, via het stelsel van aanbod en aanvaarding daarmee een juridisch bindende overeenkomst tot stand komt. Hetgeen door Consument gesteld wordt, is onvoldoende om tot de conclusie te kunnen komen dat sprake was van bedreiging, bedrog, misbruik van omstandigheden of dwaling. Enkel op deze gronden is de Overeenkomst immers vernietigbaar. De omstandigheid dat Consumenten een overeenkomst hebben getekend, zonder dit document te hebben gelezen, komt zodoende dan ook voor eigen rekening. De Commissie merkt daarbij op dat de in rekening gebrachte kosten ten aanzien van het gegeven advies ook niet buitensporig zijn. De Commissie concludeert dan ook dat de vordering van Consumenten dient te worden afgewezen.

Auteur

A step into the Dutch world of product liability: subrogation claims

A step into the Dutch world of product liability: subrogation claims 150 150 Ekelmans Advocaten
Leestijd: 5 minuten
Lesedauer: 5 Minuten
Reading time: 5 minutes

The basis of liability in case of a defective product

In case of a defective product that causes damage, the liability of the producer can be based on:

  • Strict liability for defective products (art. 6:185 – 191. DCC). This regulation is the implementation of The European Product Liability Directive of June 1985.
  • General tort liability (article 6:162 DCC). This liability is a fault-based liability.
  • Contractual liability (article 6:74 DCC). If there is a breach of a contract, according to article 6:74 DCC, a party can be held liable for a defective product.

It is self-evident that the claim of the insurer against the producer based on subrogation cannot be based on contractual liability since the insurer and the producer do not have any contractual obligations against each other.

Furthermore, according to article 6:197 DCC, insurers who pay compensation in a product liability case, have no subrogated claim for indemnity against the producer under the Product Liability Directive. Consequently the only bases for liability of the producer in case of subrogation is the general tort liability.

General Tort Liability

General principles

The general principle of Dutch tort liability is contained in article 6:162 DCC. This basic tort rule is one of negligence. Under Dutch general tort law the plaintiff will have to prove all the elements of the claim, namely: the unlawful act, the damage, and the causal connection between those two. Furthermore, contrary strict liability, the insurer has to argue convincingly that the unlawful act is attributable to the producer.

Unlawful act and the notion of a defective product

According to art. 6:186 DCC a product is defective if it does not offer the safety which a person is entitled to expect, taking all circumstances into account, including the presentation of the product, the use to which it could reasonably be expected to be and the time it was put into circulation. The question is if a defective product is considered to be unlawful in the framework of 6:162 DCC.

The Dutch Supreme Court ruled that a product is defective under 6:162 DCC if it does not offer the safety a user is entitled to expect, given the circumstances of the case. Therefore, the Dutch Supreme Court uses a similar definition under general tort law as for a defective product under the Product Liability Directive.

In principle it is up to the plaintiff to proof that the product is defective, however, a reversal of this burden of proof is possible. The Dutch Supreme Court considered in the Leebeek/Vrumona landmark case that if a plaintiff proves that damages occurred while the product was being used in a normal fashion, that state of affairs would lead to the factual presumption that the damage must have been caused by a defect in the product. It is then up to the producer to rebut this presumption.

Culpability

Contrary to strict liability, it is not sufficient that a defective product leads to liability of the producer under general tort law. The unlawful act (defective product) must also be attributable to the defendant. The Dutch Supreme Court has never accepted strict liability for defective products based on general tort law, however as set out above the burden of proof with respect to fault has more or less been shifted to the defendant. Whether or not the subrogated insurers also have the benefit of a shifted burden of proof with respect to fault is still an unsettled issue.

In the case Du Pont/Hermans the Dutch Supreme Court decided:
”Due to the nature of the unlawful act, the question whether the producer was at fault, can only be answered in the light of the circumstances to be stated by the producer.”

In the Rockwool case the Supreme Court defined the duty of care of a producer:
“Generally a producer will have to take all measures reasonably required, as a prudent manufacturer, to prevent damage caused by the product which is marketed. The producer of a new product, or a product that has been altered, has a duty to ascertain which effects the product has when used for foreseeable purposes.’’

Apart from this, The Dutch Association of Insurers (‘’Verbond van Verzekeraars’’) has imposed a restriction on this principle. If the insurer is a member of the Dutch Association of Insurers, the insurer is bound by the Regulation Subrogated Fire Insurers 2014 (‘’Bedrijfsregeling Brandregres 2014’’). Article 2 of this regulation states that the right of subrogation against non-individuals (companies) can only be exercised “if the liability is related to a negligent act” (‘’onzorgvuldig handelen’’).

There is much debat about the interpretation of the concept ‘’negligent act’’. In my opinion, the most obvious explanation is that there must be a culpable action. This explanation is also in line with the explanatory notes of the Regulation.

So the question of culpability under general tort law is answered on the basis of the circumstances invoked by the producer. If the insurer is a member of the Dutch Association of Insurers, the Regulation plays an important role in this since the definition of culpability is restricted by this regulation.

Causal connection

According to 6:162 DCC the plaintiff will have to prove causal connection between the unlawful act and the damages suffered.

However, also in the field of causation the courts have come to the aid of plaintiffs. A new rule on the burden of proof has gained momentum in recent years. It states that in case a wrongful act consists of a breach of a safety standard and the purpose of this standard is to prevent damages as suffered, the courts will consider the causal link established, unless the producer can prove that abiding by the safety standard would not have prevented the damage from occurring.

Recoverable damage

The rules of compensation are laid down in art. 6:95-110 DCC. There are no specific rules limiting compensation according to the type of injury in products liability cases based on general tort law. This means that not only physical harm and damage to property is recoverable under Dutch law, but also pure economic loss.

A successful appeal to general tort law

In the context of product liability, a subrogated insurer cannot rely on strict liability or contractual liability. Therefore, the only bases for liability of the producer in case of subrogation is the general tort liability.

For a successful appeal to general tort law, the insurer has to prove the unlawful act, the culpability, the damage and the causal connection between the unlawful act and the damage. The Supreme Court uses the definition of defective product from the Product Liability Directive to answer the question whether or not an act is unlawful in the context of 6:162 DCC.

The disadvantage of the general tort liability regulation is that – contrary to strict liability – not only the unlawful act, damage and causal connection must be proven, but the unlawful act must also be attributable to the defendant. If the claiming subrogated insurer is bound by the regulations of the Dutch Associaton of Insurers, the requirement is even higher and requires a negligent act.

This makes the threshold for a successful claim for damages on the basis of general tort law higher than for a claim based on strict liability. This threshold can be nuanced due the fact that the court has the authority to order a reversal of the burden of proof. Whether or not the insurer will have the benefit of this shifted burden of proof is an unsettled issue though.

Bron: Insurance Law Global

Auteur(s)

Aktuelles

Nieuwe advocaat: Lieske de Vos

Nieuwe advocaat: Lieske de Vos 1400 1082 Ekelmans Advocaten
Lieske de Vos
Leestijd: < 1 minuut
Lesedauer: < 1 Minute
Reading time: < 1 minute

Lieske is werkzaam bij Ekelmans & Meijer op de sectie Verzekering en Aansprakelijkheid en staat verzekeraars bij in uiteenlopende aansprakelijkheidskwesties.

Lieske heeft haar bachelor rechtsgeleerdheid behaald in 2017 aan de Universiteit van Utrecht. Ze volgde tijdens haar bachelor zowel het toga- als het notariële traject. Gedurende haar bachelor nam zij deel aan het honours programme (Utrecht Law College). In 2018 rondde Lieske de master ‘Privaatrechtelijke Rechtpraktijk’ met goed gevolg af.

Gedurende haar studie heeft Lieske verschillende stages gelopen bij grote advocatenkantoren. Ook vervulde zij de rol van voorzitter binnen het bestuur van de notariële studievereniging Vevanos. Na het behalen van haar master trad Lieske in dienst bij de Universiteit Utrecht als Docent Privaatrecht. Naast deze werkzaamheden zet Lieske zich in als bestuurslid van de Stichting Home of Hope.

Contact

We gebruiken cookies om ervoor te zorgen dat onze website zo soepel mogelijk draait. Als je doorgaat met het gebruiken van de website, gaan we ervan uit dat je ermee instemt.