Onze mensen

Beslag op huurtoeslag mag ook voor een oudere huurschuld

Beslag op huurtoeslag mag ook voor een oudere huurschuld 2560 1707 Ekelmans Advocaten
Real estate mortgage concept with small house models on coins row
Leestijd: 2 minuten
Lesedauer: 2 Minuten
Reading time: 2 minutes

De Hoge Raad bepaalt, dat beslag mag worden gelegd voor een oudere huurschuld op ‘nieuwe’ huurtoeslag. Als de huurder daardoor de lopende maand(en) niet meer kan betalen, moet daarmee wel rekening worden gehouden als de verhuurder ontbinding wegens een langdurige betaalachterstand vordert.

HR 24 juni 2022, ECLI:NL:HR:2022:931

Verrekening van betalingen

Portaal moet servicekosten terugbetalen aan een huurder over de jaren 2017 en 2018. Zij verklaart dat zij die schuld verrekent met de oude huurschuld van de huurder.

Nu Portaal duidelijk aangeeft met welke schuld zij verrekent, wordt volgens de Hoge Raad niet toegekomen aan de standaard volgorde voor verrekening die art. 6:43 lid 2 BW noemt. Die standaardregeling geldt alleen (als vangnet) als de verrekenverklaring niet duidelijk maakt met welke schuld wordt verrekend.

Zo’n verklaring tot verrekening kan zelfs nog worden afgelegd als de vordering van de verhuurder al is verjaard. (art. 6:131 lid 1 BW).

Beslagverbod en uitzonderingen

Een andere vraag is of de verhuurder voor een oude huurschuld beslag mag leggen op de ‘nieuwe’ huurtoeslag van zijn huurder. Tot nu toe werd daarover door rechters in Nederland verschillend geoordeeld. De Hoge Raad maakt duidelijk dat het wél mag.

Volgens artikel 475a Rv mag geen beslag worden gelegd op vorderingen of zaken die niet ‘vatbaar zijn voor beslag’. Ook voor huurtoeslag geldt in principe een beslagverbod: de huurder moet de huurtoeslag kunnen gebruiken om zijn huur te betalen. Een uitzondering op dit verbod geldt voor de verhuurder van de huidige woning (art. 45, lid 1-a Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen). Deze wet eist niet dat de verhuurder beslag legt voor een huurschuld uit dezelfde periode, als waarvoor de huurtoeslag is toegekend. Dit betekent dat beslag dus ook mag worden gelegd ter incasso van een oudere huurschuld. Het beslag mag zelfs dienen tot verhaal van de rente en kosten die de huurder over die oude huurschuld schuldig is.

De toepassing van de tenzij-bepaling van art. 6:265 lid 1 BW

Als er beslag gelegd wordt op de huurtoeslag voor een oude huurschuld, bestaat de kans dat de huurder dáárdoor niet in staat is om de lopende huur tijdig te betalen. Er kan een nieuwe huurschuld ontstaan. Doet deze situatie zich voor en vordert de verhuurder ontbinding omdat meerdere maanden geen huur is betaald, dan moet de rechter dat meewegen. Ontbinding kan nl. niet gerechtvaardigd zijn, als de tekortkoming die gezien haar bijzondere aard niet rechtvaardigt (art. 6:265 lid 1 BW).

Auteur

Een opdrachtgever en een architect staan tegenover elkaar voor de rechter in een geschil rond een opgezegde overeenkomst

Een opdrachtgever en een architect staan tegenover elkaar voor de rechter in een geschil rond een opgezegde overeenkomst 2560 1707 Ekelmans Advocaten
Broken contract on the desk
Leestijd: < 1 minuut
Lesedauer: < 1 Minute
Reading time: < 1 minute

Een architect is voor een opdrachtgever betrokken bij de nieuwbouw van een villa te Bussum. Kort nadat voor het werk een omgevingsvergunning is afgegeven wordt de overeenkomst met de architect door de opdrachtgever opgezegd.

Daartoe worden vier toerekenbare tekortkomingen als opzeggingsgronden aangevoerd. Partijen treffen elkaar bij de rechter die daarover, en over de afrekening van de opdracht en de verschillende aanspraken (architect) en tegen-aanspraken (opdrachtgever), in twee instanties moet oordelen. Deze noot gaat over uitspraak van het hof in het hoger beroep. Dat hoger beroep is overigens door zowel de architect (principaal) als de opdrachtgever (incidenteel) ingesteld.

Klik hier voor de uitspraak van het hof  ECLI:NL:GHARL:2021:9563  rond dit geschil en hieronder voor de gastnoot die Frank Schaaf hierbij heeft geschreven.

Auteur

Ook een nadelige beslissing in een uitspraak met een gunstig dictum heeft gezag van gewijsde

Ook een nadelige beslissing in een uitspraak met een gunstig dictum heeft gezag van gewijsde 2560 1707 Ekelmans Advocaten
Sailing ship yacht with white sails in the sea.
Leestijd: 2 minuten
Lesedauer: 2 Minuten
Reading time: 2 minutes

Een partij krijgt van de rechtbank een uitspraak met een gunstig dictum. Dat dictum is gebaseerd op één of meer voor die partij nadelige beslissingen. Komt aan die beslissingen ook gezag van gewijsde toe? En moet die partij om dat te voorkomen hoger beroep instellen, ook al is het dictum voor die partij gunstig?

HR 13 mei 2022, ECLI:NL:HR:2022:683

De feiten: twee procedures over dezelfde vraag

X en Y zijn bestuurders van Stichting De Drie Geuzen. X ontslaat Y op staande voet. Daarna worden twee procedures gevoerd:

    1. X verzoekt de rechtbank Y te ontslaan, “voor zover de rechtbank mocht besluiten dat Y niet al rechtsgeldig als bestuurder van de Stichting was ontslagen.” De rechtbank wijst dit verzoek af in haar beschikking, omdat Y volgens haar al is ontslagen bij een geldig bestuursbesluit. Hiertegen stelt Y geen hoger beroep in. Het dictum luidt immers in zijn voordeel.
    2. X vordert bij de rechtbank in een dagvaardingsprocedure het ontslagbesluit te vernietigen. De rechtbank wijst deze vordering af, omdat aan de eerdere beschikking gezag van gewijsde toekomt. Het hof bekrachtigt dat.

De Hoge Raad: gezag van gewijsde?

In cassatie ligt de vraag voor of, aan de beschikking gezag van gewijsde toekomt, nu het dictum volledig in het voordeel van X is.

De HR oordeelt dat dat zo is. Als een vonnis of beschikking onherroepelijk wordt, krijgen het dictum én de beslissingen waarop dat berust, gezag van gewijsde. Als partijen over hetzelfde geschilpunt een nieuwe procedure voeren, kunnen zij een beroep doen op het gezag van gewijsde van die beslissingen. Dat geldt óók voor nadelige beslissing die tot een gunstig dictum hebben geleid. Daarom kan de gedaagde of verweerder voldoende belang hebben bij een rechtsmiddel tegen die uitspraak, ook al was het dictum in zijn voordeel.

Huiswerk voor advocaten en partijen die appel overwegen

Advocaten en partijen die een uitspraak krijgen met een gunstig dictum, maar waarin wél ongunstige beslissingen staan, moeten dus goed hun knopen tellen. Als zij geen hoger beroep instellen, staan die ongunstige beslissingen vast. Als zij wél hoger beroep instellen, lokt dat bijna zeker een incidenteel appel uit van de wederpartij.

Auteur

Beursbengel: Uitspraken GFD rond een woonhuisverzekering en een rechtsbijstandverzekering

Beursbengel: Uitspraken GFD rond een woonhuisverzekering en een rechtsbijstandverzekering 2500 1667 Ekelmans Advocaten
EKELMANS-Beursbengels-06
Leestijd: 4 minuten
Lesedauer: 4 Minuten
Reading time: 4 minutes
Expertise:

In Dossier Kifid van de Beursbengel 2022 / nr. 914 bespreekt Frederike Rijpkema twee uitspraken van de Geschillencommissie Financiële Dienstverlening rond een woonhuisverzekering en een rechtsbijstandverzekering.

Uitspraak Geschillencommissie Financiële Dienstverlening Nr. 2022-0258, d.d. 29 maart 2022

Waterschade gedekt onder de woonhuisverzekering?

De consument heeft op 26 april 2021 een beroep gedaan op zijn woonhuisverzekering in verband met waterschade. Op het schadeformulier heeft de consument aangegeven: ‘De wasmachine is gaan lekken op de zolderetage door een losse slang. De kamer daaronder heeft hierdoor flinke schade opgelopen’.

De schade-expert, ingeschakeld door de gevolmachtigde van de verzekeraar, komt tot de conclusie dat de lekkage is veroorzaakt doordat de slang van de wasmachine niet vast genoeg was bevestigd aan de wasmachinekraan. In verband met Covid-19 heeft de schade-expert de consument niet bezocht, maar heeft hij de schade beoordeeld op basis van foto’s en de schade telefonisch met verzekerde besproken.

De gevolmachtigde heeft de schadeclaim afgewezen (onder meer), omdat geen sprake is van een defecte aan- of afvoerleiding, terwijl dit op basis van de polis wel vereist is. De consument vordert dekking onder zijn verzekering en vergoeding van 2.464 euro, alsmede wettelijke rente over dit bedrag. Ter onderbouwing van zijn vordering heeft de consument aangevoerd dat de schade-expert niet naar de slang en de verbinding heeft gekeken. Er kan volgens de consument wel sprake zijn van een beschadiging of een oneffenheid aan de aansluitingspunten van de slang, die bijvoorbeeld zijn ontstaan tijdens de verhuizing.

De commissie schetst het beoordelingskader. Als uitgangspunt geldt dat de consument die naar aanleiding van een schade een uitkering van de verzekeraar vordert, op grond van 150 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, degene is die moet stellen en bij gemotiveerde betwisting door de verzekeraar, moet bewijzen dat de schade is veroorzaakt door een gebeurtenis waarvoor de verzekering dekking biedt.

Volgens de commissie is in de voorwaarden opgenomen dat gedekt is: water of stoom uit defecte leidingen en installaties. De commissie komt tot het oordeel dat de consument niet heeft aangetoond dat sprake is van een defecte aan- of afvoerleiding. De stelling van de consument, dat er een beschadiging of een oneffenheid bij de aansluitingspunten van de slang kan hebben gezeten, komt niet overeen met hetgeen is ingevuld op het schadeformulier. De consument heeft daarin namelijk zelf aangegeven dat de wasmachine is gaan lekken door een losse slang. Daarnaast blijkt ook uit het rapport van de expert dat de lekkage is veroorzaakt doordat de slang van de wasmachine niet vast genoeg was bevestigd aan de wasmachinekraan. De consument heeft dan ook onvoldoende aangetoond dat sprake is van een defecte aan- of afvoerleiding. De commissie oordeelt dat de gevolmachtigde in dit geval terecht dekking mocht weigeren. De klacht van de consument is ongegrond.

Uitspraak Geschillencommissie Financiële Dienstverlening Nr. 2022-0248, d.d. 1 april 2022

Is een (dreigend) geschil met ex-echtgenoot gedekt onder de rechtsbijstandverzekering?

De consument heeft op 21 november 2021 een beroep gedaan op haar rechtsbijstandverzekering ten aanzien van het volgende. De ex-echtgenoot van de consument zal per 1 januari 2022 ouderdomspensioen ontvangen en hij dient daarvan een deel aan de consument af te staan. De consument verwacht dat de ex-echtgenoot dit zal weigeren en wenst daarom juridische bijstand.

De uitvoerder van de verzekeraar heeft het verzoek om rechtsbijstand afgewezen, omdat geschillen die te maken hebben met scheiden of uit elkaar gaan en de gevolgen daarvan, onder de rechtsbijstandverzekering niet gedekt zijn.

Volgens de consument gaat het geschil enkel over het opeisen van een reeds vastgesteld maandelijks bedrag aan pensioen. Dreigende conflicten over pensioenaanspraken zijn volgens de consument onder de polis verzekerd. Het gaat volgens de consument niet om verdeling van vermogen bij echtscheiding, zoals door de uitvoerder is gesteld. Daarnaast vindt de consument het ongelofelijk dat de uitvoerder op grond van de voorwaarden elke rechtshulp van gescheiden verzekerden afwijst door te stellen dat het geschil niet was ontstaan als de verzekerde niet was gescheiden.

De commissie overweegt dat in artikel 6 van de polisvoorwaarden staat dat geschillen die te maken hebben met scheiden of uit elkaar gaan niet verzekerd zijn. Dit geldt eveneens voor geschillen die hieruit voort zijn gekomen. Daarnaast zijn ook geschillen die te maken hebben met de verdeling van vermogen niet verzekerd. Volgens de commissie is daarom van belang om vast te stellen of het geschil met de ex-echtgenoot voort is gekomen uit de echtscheiding en/of het geschil te maken heeft met verdeling van het vermogen.

Naar het oordeel van de commissie is het (dreigende) geschil met de ex-echtgenoot over de afdracht van het aan de consument toekomende pensioendeel een geschil dat is voortgekomen uit de echtscheiding. Als de consument en haar ex-echtgenoot niet waren gescheiden, was deze situatie niet ontstaan. Daarnaast overweegt de commissie dat het een verzekeraar vrij staat om de grenzen van de dekking te bepalen in de door hem opgestelde polisvoorwaarden.

De commissie komt tot het oordeel dat de uitvoerder terecht dekking heeft geweigerd. De commissie wijst derhalve de vordering van de consument af.

Auteur

Verjaring: heeft een benadeelde partij een onderzoeksplicht?

Verjaring: heeft een benadeelde partij een onderzoeksplicht? 2560 1709 Ekelmans Advocaten
Judge's gavel on its plinth next to a bell clock in close-up on white background
Leestijd: 4 minuten
Lesedauer: 4 Minuten
Reading time: 4 minutes

Een vordering tot schadevergoeding verjaart binnen vijf jaar, nadat de benadeelde bekend raakt met zijn schade én de persoon die daarvoor aansprakelijk is. Een benadeelde zal niet altijd alle feiten meteen op een rij hebben. Begint de verjaring pas als hij bekend is met alle feiten, of al als hij daarmee bekend kan en moet zijn? Anders gezegd: heeft hij een onderzoeksplicht?

HR 22 april 2022, ECLI:NL:HR:2022:627

Na echtscheiding moet er worden verrekend tussen de man en de vrouw. De vrouw ontvangt in 2008 een brief van de man over de omvang van goodwill waarop hij aanspraak kan maken tegenover zijn voormalige bedrijf. Zij leidt uit die brief af dat hij recht heeft op € 600.000. In 2014 blijkt haar dat het bedrijf hem een toezegging had gedaan van € 1.725.000, én dat daarvan al € 600.000 was uitgekeerd. In 2017 vordert zij schadevergoeding op grond van art. 6:162 BW, omdat hij dit heeft verzwegen.

Het hof: de verjaring is begonnen, zodra de vrouw kon en moest weten dat de man recht had op méér dan 6 ton goodwill…

Het hof oordeelt dat de vordering van de vrouw is verjaard (art. 3:310 lid 1 BW). Volgens het hof begon de verjaring te lopen zodra de vrouw of haar adviseurs uit de brief redelijkerwijs hadden “kunnen of moeten begrijpen” dat de man naast het voorschot méér goodwillaanspraken had.

In cassatie klaagt de vrouw dat het hof ten onrechte niet is uitgegaan van wat de vrouw wist, maar wat zij móest weten.

Hoge Raad in 2010: beperkte onderzoeksplicht

In 2010 in het arrest X/Bemoti (HR 3 december 2010, ECLI:NL:HR:2010:BN6241) heeft de Hoge Raad voor het eerst een heel beperkte onderzoeksplicht aangenomen.
In die zaak vond in 1996 een aanrijding plaats tussen een 9-jarige fietser en een betonmolen. Het kind botst tegen de achterzijde van de betonmolen en raakt ernstig gewond. De vrachtwagen heeft een opvallende kleur en draagt twee firma-namen. De politie noteert bovendien het kenteken van de vrachtwagen. Pas in 2003 en 2004 stelt de moeder de firma’s en de bestuurder aansprakelijk. Zij beroepen zich op de vijfjarige verjaringstermijn: de moeder was kort na het ongeval al bekend was met de schade en de daarvoor aansprakelijke persoon.
De Hoge Raad stelt dat daadwerkelijke bekendheid vereist is vóórdat de verjaringstermijn begint. Maar dit betekent ook weer niet dat de moeder die de identiteit van de aansprakelijke persoon met een beperkt onderzoek eenvoudig had kúnnen achterhalen, maar dat heeft nagelaten, ter afwering van een beroep op verjaring kan stellen dat zij niet wist wie zijn schade had veroorzaakt. Het strookt niet met de rechtszekerheid en de billijkheid dat zij door een eenvoudig onderzoek na te laten, zou kunnen voorkomen dat de korte verjaringstermijn begint.

Verschillende meningen over aanvang verjaring

Sindsdien is er in de literatuur discussie gevoerd over de vraag hoever deze onderzoeksplicht van een benadeelde gaat.

Advocaat-Generaal (A-G) Wesseling-Van Gent zette in haar Conclusie vóór het arrest van 22 april 2022 de verschillende meningen uiteen.

Volgens Hartkamp, Sieburgh en Katan rust op de benadeelde in beginsel géén onderzoeksplicht. Nu volgens art. 3:310 BW de verjaring pas gaat lopen als de benadeeld daadwerkelijk bekend is met zijn schade en de persoon die hij daarvoor aansprakelijk kan stellen, heeft de benadeelde geen onderzoeksplicht die verder gaat dan het arrest uit 2010.

Hartlief, Du Perron, Smeehuijzen en Tjong Tjin Tai meenden dat van de benadeelde een beperkt onderzoek naar de identiteit van de daarvoor aansprakelijke persoon én naar de oorzaak van de schade mag worden verlangd. Volgens deze auteurs mag de eis dat een benadeelde bekend is met de schade en de aansprakelijke persoon, er niet toe leiden dat de benadeelde zich “van de domme” kan houden. Als er voldoende aanknopingspunten zijn voor het bestaan van aansprakelijkheid van een voldoende bepaald persoon, mag van hem enig onderzoek verwacht worden.

Hoeveel onderzoek een benadeelde moet doen, was dus niet erg duidelijk.

De Hoge Raad in 2022: nog steeds beperkte onderzoeksplicht

De Hoge Raad vernietigt het arrest van het hof.

De Hoge Raad benadrukt dat de benadeelde daadwerkelijk bekend moet zijn met de schade en de persoon die daarvoor aansprakelijk is. Hiervan kan pas sprake zijn als de benadeelde voldoende zekerheid – die niet een absolute zekerheid behoeft te zijn – heeft verkregen dat er schade is veroorzaakt door een fout. Daarvoor is dus niet voldoende dat de vrouw met het gestelde onrechtmatig handelen en met de gestelde schade bekend “had kunnen of moeten zijn”.

De Hoge Raad houdt dus vast aan de eis dat voor het gaan lopen van de korte verjaringstermijn daadwerkelijke bekendheid vereist is. De Hoge Raad lijkt afgezien van de beperkte onderzoeksplicht naar de identiteit van de aansprakelijke persoon, geen ruimte te laten voor een verdergaande onderzoekplicht van de benadeelde naar de feiten over de schade en de persoon die daarvoor aansprakelijk is.

Auteur

Ekelmans Advocaten in Jaargids Advocatuur van het FD

Ekelmans Advocaten in Jaargids Advocatuur van het FD 640 626 Ekelmans Advocaten
Jaargids Advocatuur
Leestijd: < 1 minuut
Lesedauer: < 1 Minute
Reading time: < 1 minute
Expertise:

Afgelopen weekend verscheen de Jaargids Advocatuur als speciale bijlage bij het FD. Op pagina 16 en 17 wordt onze directeur Andrea van de Velde geïnterviewd.

Het kantoorprofiel van Ekelmans Advocaten staat op pagina 69.
De Jaargids is bedoeld voor juristen en ondernemers en bevat analyses, kantoorprofielen en interviews.

Lees hier de digitale versie van de Jaargids.

Contact

Beursbengel: Uitspraken GFD rond een pakketverzekering en verwarring rond een verzekeringsbepaling

Beursbengel: Uitspraken GFD rond een pakketverzekering en verwarring rond een verzekeringsbepaling 2500 1667 Ekelmans Advocaten
EKELMANS-Beursbengels-01
Leestijd: 4 minuten
Lesedauer: 4 Minuten
Reading time: 4 minutes
Expertise:

In Dossier Kifid van de Beursbengel 2022 / nr. 913 bespreekt Frederike Rijpkema twee uitspraken van de Geschillencommissie Financiële Dienstverlening rond een pakketverzekering en een doorlopende reis- en annuleringsverzekering.

Uitspraak Geschillencommissie Financiële Dienstverlening Nr. 2022-0167, d.d. 2 maart 2022

Zorgplicht geschonden door niet te waarschuwen dat woning niet is meeverzekerd op rechtsbijstandverzekering?

De consument heeft via de website van een tussenpersoon een pakketverzekering aangevraagd, op basis van ‘execution only’. Het pakket bestond uit een opstalverzekering voor zijn woning en een rechtsbijstandverzekering. De consument kreeg vervolgens een geschil over zijn hypotheeklening. Hiervoor kon de consument geen beroep doen op zijn rechtsbijstandverzekering, omdat dit geschil niet onder de dekking van de rechtsbijstandverzekering viel.

De consument stelt zich op het standpunt dat de tussenpersoon had moeten waarschuwen voor het risico dat hij liep omdat de rechtsbijstandverzekering niet was uitgebreid met ‘eigen woning’, terwijl de tussenpersoon wist dat de consument een eigen woning had en dus belang had bij dekking ten aanzien van de woning.

De commissie komt tot het oordeel dat de tussenpersoon alleen heeft bemiddeld bij het afsluiten van de verzekeringen, de zogenaamde ‘execution only’. Dit betekent dat de consument de verzekeringen heeft afgesloten zonder advies van de tussenpersoon. Het lag daarom op de weg van de consument zich voldoende te verdiepen in de door hem af te sluiten verzekeringen. De tussenpersoon hoefde de consument niet te waarschuwen voor het ontbreken van de dekking voor de eigen woning, ook al wist de tussenpersoon dat de consument een eigen woning had. Van een zorgplichtschending aan de zijde van de tussenpersoon is dan ook geen sprake. De consument heeft zich ook het standpunt gesteld dat de tussenpersoon heeft verzuimd een rechtsbijstandverzekering voor hem af te sluiten met uitbreiding eigen woning, terwijl de consument dit wel in zijn aanvraag zou hebben aangegeven. Dit zou blijken uit een door de consument overgelegde schermafbeelding van het aanvraagformulier. De tussenpersoon heeft de stelling van de consument gemotiveerd betwist. Volgens de tussenpersoon is het overgelegde aanvraagformulier geen definitief ingediend aanvraagformulier, maar een scherm dat je ziet voordat de aanvraag daadwerkelijk wordt ingediend. Nadat de schermafbeelding is gemaakt, is het formulier door de consument nog aangepast, aldus de tussenpersoon. Dit blijkt namelijk uit diverse verschillen op het aanvraagformulier en het definitieve polisblad. Vanwege de gemotiveerde betwisting van de tussenpersoon, is het aan de consument om nader bewijs te leveren dat hij wel een uitbreiding met eigen woning heeft aangevraagd. De consument is daarin niet geslaagd.
Daar komt nog bij dat het aan de consument was om op het polisblad te controleren of de rechtsbijstandverzekering aansloot bij zijn wensen. Dit geldt temeer, omdat de tussenpersoon enkel een bemiddelende rol bij de totstandkoming van de overeenkomst had. De commissie komt tot het oordeel dat de klacht van de consument ongegrond is en dat zijn vordering wordt afgewezen.

Uitspraak Geschillencommissie Financiële Dienstverlening Nr. 2022-0122, d.d. 16 februari 2022

Is overlijden eigenaresse reisbureau gedekte gebeurtenis?

De consument heeft bij de verzekeraar een doorlopende reis- en annuleringsverzekering afgesloten. Op 8 september 2019 boekt de consument bij een reisbureau een rondreis door Zuid-Afrika. De consument heeft aan het reisbureau een aanbetaling van 3.449,31 euro gedaan. Op enig moment overlijdt de eigenaresse van het reisbureau. De consument doet een beroep op de verzekeraar voor vergoeding van de aanbetaalde reissom. Hij beroept zich daarbij op de bepaling waarin een limitatieve opsomming van gedekte gebeurtenissen is opgenomen, waarin onder andere staat dat annulering gedekt is als de persoon in het buitenland bij wie de consument zou overnachten is overleden. De verzekeraar wijst de claim, onder verwijzing naar zijn polisvoorwaarden, af.

Gezien het voorgaande komt het volgens de commissie aan op de uitleg van voornoemde bepaling en op de vraag of het overlijden van de eigenaresse van het reisbureau hieronder valt.

De commissie overweegt dat een verzekeringsbepaling duidelijk en begrijpelijk moet zijn opgesteld en dat bij twijfel over de betekenis van een beding de voor de consument meest gunstige uitleg vóórgaat. Deze zogenoemde contra proferentem-regel is neergelegd in artikel 6:238 lid 2 BW.

Volgens de commissie gaat het om de vraag of uit de polisbepaling duidelijk blijkt dat het gaat om een limitatieve opsomming van gebeurtenissen. Volgens de commissie is voor de bepaling slechts één lezing mogelijk, zodat sprake is van een duidelijk beding, namelijk dat sprake is van een limitatieve opsomming. De commissie komt derhalve niet toe aan de contra proferentem-regel.

Vervolgens is het de vraag of er sprake is van een gedekte gebeurtenis . Volgens de commissie is de situatie van de consument niet gelijk aan de in de bepaling genoemde verzekerde gebeurtenis. In de bepaling staat namelijk dat het moet gaan om het overlijden van een persoon in het buitenland bij wie een verzekerde zou overnachten. Het staat vast dat de consument niet bij de eigenaresse van het reisbureau zou overnachten, maar bij een door haar geregelde accommodatie. Dit brengt mee dat voor de schade van de consument, bestaande uit de gedane aanbetaling, als gevolg van het overlijden van de eigenaresse van het reisbureau, geen dekking bestaat.

De commissie komt tot de slotsom dat de verzekeraar de claim van de consument mocht afwijzen en dat de vordering van de consument wordt afgewezen.

Auteur

Deformalisering: te late betekening exploot bij echtscheiding

Deformalisering: te late betekening exploot bij echtscheiding 2560 2560 Ekelmans Advocaten
Family Quarrel - Unhappy Young Couple Standing Arms Crossed Back to Back. Pop Art Vector illustration
Leestijd: 2 minuten
Lesedauer: 2 Minuten
Reading time: 2 minutes

Als één echtgenoot een verzoek tot echtscheiding indient bij de rechtbank, moet hij dat verzoek aan zijn echtgenoot door de deurwaarder laten betekenen. Volgens de wet moet dat binnen 14 dagen. De Hoge Raad oordeelde op 1 april dat als dat iets later gebeurt, de rechter het verzoek tot echtscheiding toch moet behandelen.

HR 1 april 2022, ECLI:NL:HR:2022:481

Als één echtgenoot een verzoek tot echtscheiding indient bij de rechtbank, moet hij dat verzoek aan zijn echtgenoot door de deurwaarder laten betekenen. Volgens art. 816 Rv moet dat binnen 14 dagen. In het exploot van de deurwaarder moet de termijn staan waarop verweer kan worden gevoerd tegen het verzoek tot echtscheiding of daarvoor uitstel kan worden gevraagd. Ook moet het exploot vermelden dat één en ander door een advocaat dient te worden gedaan. Het originele exploot moet ter griffie worden ingediend.

In deze zaak laat de man zijn verzoek ruim twee weken te laat bij zijn vrouw betekenen. De vrouw verschijnt niet in de procedure: niet bij de rechtbank en niet bij het hof. Rechtbank en hof verklaren de man daarom niet-ontvankelijk in zijn verzoek tot echtscheiding.

De Hoge Raad vernietigt

De Hoge Raad stelt voorop dat de gedachte achter art. 816 lid 1 Rv is te verzekeren dat het verzoek tot echtscheiding de andere echtgenoot tijdig bereikt. De wetgever heeft geen reden gegeven voor de keuze voor een termijn van 14 dagen.

Art. 816 lid 3 Rv bepaalt dat als lid 1 niet in acht is genomen of het exploot een ander gebrek kent, art. 120 Rv analoog van toepassing is. Dat artikel bepaalt dat een nietig exploot kan worden hersteld. Dat artikel leent zich echter niet voor (analoge) toepassing als het exploot te laat is uitgebracht: herstel van termijnoverschrijding is niet mogelijk.

Toch moest de rechtbank het verzoek van de man in behandeling nemen volgens de Hoge Raad. De HR wijst er op dat de wetgever geen bijzondere reden had om betekening binnen 14 dagen voor te schrijven. Ook wijst de Hoge Raad op het algemene uitgangspunt van art. 120 Rv, dat een verzuim moet kunnen worden hersteld. Daarom dient overschrijding van deze 14 dagen-termijn niet automatisch te leiden tot niet-ontvankelijkheid.
In dit geval is het verzoek via de deurwaarder wél (binnen redelijke tijd) bij de vrouw betekend. De man heeft als bewijs daarvan het originele exploot bij de rechtbank ingediend. Daarom had de rechtbank het verzoek van de man tot echtscheiding in behandeling moeten nemen. De Hoge Raad doet de zaak zélf af. Hij verwijst de zaak terug naar de rechtbank, die de vrouw een nieuwe termijn voor verweer moet geven.

Auteur

Beursbengel: Uitspraken GFD rond een rechtsbijstand- en inboedelverzekering

Beursbengel: Uitspraken GFD rond een rechtsbijstand- en inboedelverzekering 2500 1667 Ekelmans Advocaten
EKELMANS-Beursbengels-02
Leestijd: 4 minuten
Lesedauer: 4 Minuten
Reading time: 4 minutes
Expertise:

In Dossier Kifid van de Beursbengel 2022 / nr. 912 bespreekt Lieske de Vos twee uitspraken van de Geschillencommissie Financiële Dienstverlening rond een rechtsbijstand- en een inboedelverzekering.

Uitspraak Geschillencommissie Financiële Dienstverlening Nr. 2022-0036, d.d. 21 januari 2022

Mag verzekeraar gevolgen verbinden aan bovengemiddelde gebruikmaking van rechtsbijstandverzekering?

De consument heeft een rechtsbijstandverzekering afgesloten bij de verzekeraar. De consument heeft een tweetal brieven ontvangen van de rechtsbijstandverzekeraar waarin staat dat hij meer dan gemiddeld een beroep doet op zijn rechtsbijstandverzekering en wat de gevolgen kunnen zijn van het indienen van nieuwe rechtshulpverzoeken.

De consument is het niet eens met het beleid van de verzekeraar en dient een klacht in. De consument vordert dat de verzekeraar wordt verplicht om zijn beleid aan te passen. Daarnaast vordert de consument dat het aantal door hem ingediende rechtshulpverzoeken op nul wordt gezet. Ter onderbouwing van zijn vorderingen heeft de consument het volgende aangevoerd. De consument geeft aan dat hij door pech een aantal keren een beroep heeft moeten doen op zijn verzekering. De consument heeft het idee dat hij nu een soort gele kaart heeft gekregen, wat op dit moment voor hem geen directe gevolgen heeft, maar uiteindelijk wel kan leiden tot een rode kaart. Dat kan als gevolg hebben dat zijn verzekering wordt opgezegd. Volgens de consument moet de verzekeraar vooraf duidelijk aangeven hoeveel rechtshulpverzoeken een verzekerde mag indienen voordat het stappenplan met de bijbehorende maatregelen wordt toegepast. Ook maakt de consument bezwaar tegen de omstandigheid dat de verzekeraar alleen naar het aantal meldingen kijkt en niet naar de inhoud en/of de verschillende modules die de verzekerde heeft afgesloten. De verzekeraar heeft verweer gevoerd tegen de stellingen van de consument.

De commissie overweegt als volgt. Naar het oordeel van de commissie kan het versturen van een brief waarin de verzekerde wordt gewezen op het bovengemiddelde aantal door hem ingediende rechtshulpverzoeken en de mogelijke gevolgen daarvan op zijn plaats zijn. De verzekerde is dan immers in een vroeg stadium gewezen op mogelijk vervelende gevolgen voor hemzelf. In dit geval heeft de verzekeraar de consument in zijn brief uitgebreid en naar behoren geïnformeerd over het beleid dat de verzekeraar hanteert. In de brief is ook aangegeven dat het niet altijd nodig is om een rechtshulpverzoek in te dienen. De verzekeraar heeft de consument hiervoor verwezen naar de website van Achmea Rechtsbijstand voor tips en advies. In de brief heeft de verzekeraar daarnaast uitgelegd wat de mogelijke gevolgen zullen zijn als de consument zijn claimgedrag niet aanpast. Daarmee is de consument tijdig gewezen op de mogelijke gevolgen van het ongewijzigd voortzetten van zijn meldingsgedrag. De consument wordt daarmee in de gelegenheid gesteld zijn meldingsgedrag zo nodig en mogelijk aan te passen. Naar het oordeel van de commissie heeft de verzekeraar in de procedure bij Kifid op een duidelijke wijze uitgelegd wat zijn beleid inhoudt. Dit beleid komt de commissie niet onredelijk voor. Naar het oordeel van de commissie is ook geen sprake van misleiding. De commissie ziet dan ook geen aanleiding om de vordering van de consument om het aantal rechtshulpverzoeken op nul te zetten, toe te wijzen.

Uitspraak Geschillencommissie Financiële Dienstverlening Nr. 2022-0049, d.d. 26 januari 2022

Sprake van fraude vanwege het afgeven van verschillende toedrachten?

De partner van de consument heeft onder meer een standaard inboedelverzekering, zonder allriskdekking, en een Kostbaarheden Buitenshuisverzekering bij de verzekeraar. Zij is de verzekeringnemer onder de polis en de consument is meeverzekerd.

De consument heeft op 24 november 2019 een iPhone uit zijn hand laten vallen met als gevolg een gebarsten scherm en een storing in het beeldscherm. De consument heeft schade aan zijn telefoon gemeld en daarbij verklaard dat de telefoon binnenshuis was ge vallen. Een dag later heeft de consument opnieuw gebeld, met een andere toedracht. Het toestel zou zijn gevallen bij het uitstappen van de auto. Vanwege deze tegenstrijdige verklaringen heeft de afdeling Speciale Zaken van de verzekeraar de claim van de consument in december 2019 onderzocht. De verzekeraar concludeert dat de consument met een tweede schademelding heeft geprobeerd om door een onjuiste voorstelling van zaken de schade aan de telefoon alsnog vergoed te krijgen. De verzekeraar gaat niet over tot uitkering en de persoonsgegevens van de consument zijn voor acht jaar opgenomen in het Incidentenregister en voor de duur van drie jaar in het Extern Verwijzingsregister (EVR).

De consument dient een klacht in en vordert dat de maatregelen ongedaan worden gemaakt. De consument vordert dat alle registraties van de persoonsgegevens en de registraties op zijn adres ongedaan worden gemaakt. Daarnaast vordert hij vergoeding van de materiële en immateriële schade. Ter onderbouwing voert consument het volgende aan. De schade is in eerste instantie afgewezen. Naar aanleiding daarvan heeft de consument de voorwaarden gelezen. Vervolgens heeft de consument in een tweede gesprek, het gesprek van 26 november 2019, vragen gesteld over de dekking onder de inboedelverzekering en de dekking onder de Kostbaarheden Buitenhuisverzekering. Dit gesprek is informerend/afstemmend geweest. Hij heeft in dat gesprek alleen advies en informatie gevraagd en uitdrukkelijk niet de intentie gehad om een andere toedracht te geven om dekking onder de verzekering te krijgen. De verzekeraar heeft in de interne klachtenprocedure de proportionaliteit van de registratie in het EVR opnieuw beoordeeld en heeft daarop een correctie toegepast die ertoe heeft geleid dat de registratie werd doorgehaald. De verzekeraar heeft dus twee verschillende onderbouwingen gegeven van de EVRregistratie. De consument kan er daardoor niet op vertrouwen dat de verzekeraar eenduidig, betrouwbaar, zuiver en rechtmatig handelt. De verzekeraar voert verweer. De commissie is van oordeel dat in voldoende mate is komen vast te staan dat de consument opzettelijk een onjuiste voorstelling van zaken heeft gegeven om een uitkering onder de verzekering te krijgen waarop hij geen recht heeft. De schade aan de telefoon is op die grond terecht afgewezen en de verzekering van de consument is terecht beëindigd. Ook de registratie van de persoonsgegevens van de consument is terecht en proportioneel.

Auteur

Verplichte UBO registratie per 27 maart 2022

Verplichte UBO registratie per 27 maart 2022 2560 1920 Ekelmans Advocaten
UBO Letter Initial Logo Design Vector Illustration
Leestijd: 2 minuten
Lesedauer: 2 Minuten
Reading time: 2 minutes
Expertise:

Vanaf 27 maart 2022 zijn juridische entiteiten verplicht hun uiteindelijk belanghebbenden in het UBO-register te registeren. ‘UBO’ staat voor Ultimate Beneficial Owner. De vertegenwoordigingsbevoegde bestuurder van de organisatie moet de registratie bij de Kamer van Koophandel verzorgen.

Registratie is wettelijk verplicht. Het niet, niet op tijd of onjuist registreren kan worden bestraft met een geldboete. Het kan ook strafrechtelijke gevolgen hebben.

Registreren kan via de volgende link UBO’s inschrijven, wijzigen en uitschrijven – UBO-register (kvk.nl)

Wat is de UBO registratie en waarom is deze registratie verplicht?

Een UBO is altijd een natuurlijk persoon. Voor een B.V. gelden andere regels dan voor bijvoorbeeld een maatschap of vennootschap onder firma. Een organisatie heeft altijd ten minste één UBO. Als er geen UBO kan worden aangewezen, worden alle bestuurders bij rechtspersonen of vennoten bij de vennootschap onder firma geregistreerd als pseudo-UBO.

Waarom is er een UBO-register?

Het doel van het UBO-register is financieel-economische criminaliteit tegen gaan. Hierbij kan je denken aan corruptie, witwassen, belastingontduiking, fraude en financiering van terrorisme. Het UBO-register moet zorgen voor meer transparantie. Door alle uiteindelijk belanghebbenden in te schrijven in een openbaar register ontstaat er meer duidelijkheid over welke personen de uiteindelijke zeggenschap hebben over een bepaalde juridische entiteit. De inschrijving van deze personen in een openbaar register dient daarmee ook een preventief doel. Wanneer men in een openbaar register als uiteindelijk begunstigde staat ingeschreven, is het minder aantrekkelijk de juridische entiteit voor financieel-economische criminele doeleinden te gebruiken. Verder maakt het UBO-register het makkelijker om te weten te komen met wie men zaken doet.

Wie beheert het UBO-register?

Het UBO-register wordt beheerd door de Kamer van Koophandel. De Kamer van Kophandel is al houder van het handelsregister. Het is dus een logische keuze van de wetgever om het UBO-register voor rechtspersonen en ondernemingen ook bij de Kamer van Koophandel onder te brengen. De Kamer van Koophandel is verantwoordelijk voor de controle op de tijdige aanlevering van UBO-gegevens, en op de juistheid en volledigheid ervan.

Voor wie geldt de verplichting tot inschrijving in het UBO-register?

De UBO-registratie is verplicht voor de volgende juridische entiteiten:

  • niet-beursgenoteerde) BV’s en NV’s
  • Overige rechtspersonen: stichtingen, UBO-plichtige verenigingen (dit zijn formele- en informele verenigingen die onderneming drijven), onderlinge waarborgmaatschappijen en coöperaties
  • Personen vennootschappen: maatschappen, vennootschappen onder firma en commanditaire vennootschappen
  • Rederijen
  • Europese naamloze vennootschappen
  • Europese coöperatieve vennootschappen
  • Europees economisch samenwerkingsverbanden die hun zetel in Nederland hebben
  • Kerkgenootschappen

Wie moet de registratie verzorgen?

De juridische entiteit is zelf verantwoordelijk voor de registratie van de gegevens in het UBO-register. De registratie dient online gedaan te worden bij de Kamer van Koophandel door de persoon die namens de entiteit tekeningbevoegdheid heeft. Dat is in het algemeen de bestuurder van de juridische entiteit. Wie er tekeningsbevoegdheid hebben is terug te vinden in het Handelsregister van de Kamer van Koophandel. De UBO is verplicht mee te werken aan de inschrijving.

Auteur

We gebruiken cookies om ervoor te zorgen dat onze website zo soepel mogelijk draait. Als je doorgaat met het gebruiken van de website, gaan we ervan uit dat je ermee instemt.